Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9624

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
BK 304/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/665
FutD 2002-0515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nummer: BK 304/00 22 februari 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X (: hierna belanghebbende) tegen de uitspraak van Gedeputeerde Staten van Fryslân (hierna: GS), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de kennisgeving inzake leges voor de afgifte van een gedoogbeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende is bij geschift van 6 mei 1999 in kennis gesteld van de verschuldigdheid van leges voor de afgifte van een gedoogbeschikking. De leges bedragen ƒ 6.585, -, inclusief een bedrag van ƒ 450, - voor publicatie van de gedoogbeschikking. Belanghebbende heeft tegen deze kennisgeving tijdig bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 3 maart 2000 heeft GS de kennisgeving van 6 mei 1999 gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 13 april 2000 is ingekomen.

Nadat GS hun verweerschrift (met bijlagen) hebben ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 22 februari 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren namens belanghebbende de heer A en namens GS de heer B. GS zijn in de gelegenheid gesteld de ter zitting gestelde vraag van het hof schriftelijk te beantwoorden. Tevens zijn zij ter zitting gevraagd de betreffende provinciale legesverordening te overleggen. De beantwoording van de vraag en de provinciale legesverordening hebben GS op 9 april 2001 aan het hof doen toekomen. Een afschrift van deze stukken is gezonden aan belanghebbende. Een tweede mondelinge behandeling heeft plaatsvonden ter zitting van 21 januari 2002, gehouden te Groningen.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op 26 april 1999 heeft belanghebbende verzocht om een gedoogbeschikking voor het storten van ongeveer 5.500 m3 baggerspecie op een plaat gelegen in de Waddenzee, kadastraal bekend gemeente L, sectie Y, nummers 0000 en 00. Deze baggerspecie zou vrijgekomen bij het uitdiepen van de passantenhaven te L. De aanvraag om een gedoogbeschikking werd ingegeven doordat belanghebbende voor de baggerwerkzaamheden geconfronteerd werd met de eis van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Vanwege de tijdsdruk heeft belanghebbende verzocht aan hem een gedoogbeschikking te verlenen opdat de haven tijdig op diepte zou kunnen worden gebracht.

2.2 GS hebben bij schrijven van 28 juni 1999 besloten om de door belanghebbende gevraagde werkzaamheden te gedogen. Zij scharen de aanvraag om de gedoogbeschikking onder situatie 6g zoals deze situatie beschreven is op pagina 7 van de notitie "Gedoogbeleid provincie Friesland". De door GS afgegeven gedoogbeschikking geldt tot de dag waarop het "Besluit wijziging inrichtingen- en vergunningenbesluit i.v.m. het verspreiden van schone tot matig verontreinigde onderhoudsspecie in oppervlaktewateren" in werking treedt.

2.3 Voor de afgifte van de gedoogbeschikking hebben GS aan belanghebbende leges in rekening gebracht. Deze leges bedragen ƒ 6.535, -, inclusief leges voor publicatie van de gedoogbeschikking, als bepaald in rubriek B, onderdelen 2b en 2c, van de Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening Fryslân 1998.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of GS leges in rekening mogen brengen voor de afgifte van de onderhavige gedoogbeschikking.

4. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende stelt - kort samengevat - in zijn beroepschrift en mondeling ter zitting, dat bij Wet van 18 december 1997, stb.730, is besloten dat met betrekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer geen rechten kunnen worden geheven. Belanghebbende is van mening dat de onderhavige gedoogbeschikking genomen is krachtens de Wet milieubeheer en dat derhalve GS ingevolge de Wet van 18 december 1997, stb. 730 geen rechten mogen heffen. Belanghebbende is van mening dat het gedogen gelijk te stellen is met het verlenen van een beschikking ingevolge artikel 15.34a van de Wet milieubeheer.

Voor een uitgebreide weergave van het standpunt van belanghebbende verwijst het hof naar de gedingstukken.

5. Het standpunt van GS

GS hebben daartegenover - kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting dat leges voor de afgifte van de onderhavige gedoogbeschikking geheven kunnen worden aangezien deze gedoogbeschikking niet direct is gebaseerd op de Wet milieubeheer.

Voor een uitgebreide weergave van het standpunt van GS verwijst het hof naar de gedingstukken.

6. De overwegingen omtrent het geschil

6.1 GS baseren hun bevoegdheid om te beslissen op een eventuele aanvraag van belanghebbende om een vergunning voor de storting van bagger op een plaat in de Waddenzee op artikel 8:2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De afgifte van de gedoogbeschikking motiveren GS met een verwijzing naar de situatie 6.g van de notitie "Gedoogbeleid Provincie Friesland", vastgesteld door GS op 7 november 1995 en in werking getreden op 1 januari 1996, Situatie 6.g is een overgangssituatie, waarin regels worden overtreden terwijl hogere regelgeving of wijziging van regelgeving in voorbereiding is, waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze de in de overtreden regels gestelde eisen op korte termijn zal versoepelen, waardoor de handhaving van de strengere regels minder geloofwaardig zal zijn.

6.2 In hun notitie "Gedoogbeleid Provincie Friesland" hebben GS aan een gedoogbeschikking de volgende eisen gesteld: "(…) 1. Indien sprake is van gedogen vooruitlopend op vergunningverlening, moet een vergunningaanvraag zijn ingediend. (…) 3. Voordat een gedoogvergunning wordt verleend, moet duidelijk zijn dat legalisatie (door bijvoorbeeld vergunningverlening) op korte termijn mogelijk is. 4. Aan de gedoogbeschikking worden voorschriften verbonden opdat een milieuhygiënisch aanvaardbare situatie voldoende gewaarborgd is. (…) 5. Er wordt overleg gepleegd met de aanvrager. De aanvrager, de Regionale Inspectie voor de Milieuhygiëne, de overige adviseurs en de betrokken overheidsorganen ingevolge de Wet milieubeheer, worden binnen een door ons te stellen termijn in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de concept-gedoogbeschikking. Van hun reaktie wordt een weergave gegeven in de gedoogbeschikking. (…)".

In de onderwerpelijke gedoogbeschikking staat vermeld dat een ontwerp daarvan is voorgelegd aan de Inspectie Milieuhygiëne Noord, aan belanghebbende, aan het Openbaar Ministerie, aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en aan het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Van deze organen is geen reactie ontvangen.

6.3 Uit het vorenoverwogene kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de onderhavige gedoogbeschikking ten aanzien van belanghebbende is genomen krachtens de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 15.34a Wet milieubeheer kunnen alsdan geen rechten worden geheven. De Tarieventabel, rubriek B, onderdeel 2b, behorende bij de "Legesverordening Fryslân 1998", is ten aanzien van belanghebbende voor het onderwerpelijke geval onverbindend.

6.4 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht daar partijen overheidslichamen zijn.

7. De beslissing

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende gegrond;

vernietigt de uitspraak van GS;

vernietigt de kennisgeving van 6 mei 1999; en

gelast GS het betaalde griffierecht ad € 204,20 aan belanghebbende te vergoeden.

Gedaan op 22 februari 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 22 februari 2002 uitgesproken ter openbare zitting van het hof te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 27 februari 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.