Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9175

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00275
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2002-01-23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2002-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 176
VR 2002, 116

Uitspraak

WAHV 00/00275

23 januari 2002

CJIB 17414478

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Utrecht

van 4 februari 2000

betreffende

[betrokkene]

voor wie als gemachtigde optreedt mr E.D.B. Groeneweg, kantoor houdende te Utrecht.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 5 augustus 1998 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Op 8 november 2000 is een brief van de gemachtigde binnengekomen in reactie op de door de advocaat-generaal gegeven reactie op de nadere toelichting op het beroepschrift.

Bij brief van 19 februari 2001 heeft de griffier bij het hof de gemachtigde verzocht nadere informatie te verstrekken naar aanleiding van het door de betrokkene ingenomen standpunt. De gevraagde informatie is bij het hof binnengekomen op 26 maart 2001. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld op deze nadere informatie te reageren. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Bij brief van 15 juni 2001 heeft de griffier bij het hof een afschrift van de toevoeging in de onderhavige zaak aan de griffier van het kantongerecht te Utrecht gezonden. Op 14 augustus 2001 is bij het hof een mededeling van de griffier van het kantongerecht ingekomen.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene heeft niet binnen de in art. 26a, tweede lid, WAHV gestelde termijn zekerheid gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het van hem verlangde bedrag tot zekerheidstelling onder de gegeven omstandigheden van hem niet kan worden gevergd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij in een vijftal zaken verzet heeft aangetekend tegen dwangbevelen van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden en dat het gezamenlijke bedrag tot zekerheidstelling in die zaken ƒ 1.555,36 bedraagt. Voorts heeft de betrokkene stukken overgelegd ter staving van zijn stelling dat zijn financiële situatie zodanig is dat hem de toegang tot de rechter wordt belemmerd door voormeld bedrag van hem te verlangen teneinde die toegang te verkrijgen. De betrokkene doet in dit verband een beroep op art. 6 EVRM.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een zodanige belemmering geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van fl 150,- is verlangd.

3.4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene - daaronder begrepen de totale geldsom die hij moet betalen aan opgelegde administratieve sancties - een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.5. In februari 2000 heeft de griffier bij het kantongerecht de betrokkene in vijf zaken (te weten de onderhavige zaak en de zaken onder nummer WAHV 00-00276 tot en met WAHV 00-00279) in de gelegenheid gesteld zekerheid te stellen. In deze vijf zaken diende de betrokkene in totaal tot een bedrag van fl 1.555,36 zekerheid te stellen.

3.6. De betrokkene heeft in de zaak onder nummer WAHV 00-00279 zekerheid gesteld voor een bedrag van ƒ 152,50.

3.7. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt, dat de omvang van het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling - totaal fl 1.555,36 - gelet op zijn financiële omstandigheden een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.8. In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding om in de vijf zaken gezamenlijk (te weten de onderhavige zaak en de zaken onder nummer WAHV 00-00276 tot en met WAHV 00-00279) de zekerheid vast te stellen op een bedrag van ƒ 150,=. Nu de betrokkene dat bedrag heeft voldaan en tevens het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan, kan hij in het onderhavige beroep worden ontvangen.

3.9. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel tijdig gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Vorenoverwogene brengt met zich mee dat in beginsel - dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden die een langere periode kunnen rechtvaardigen - binnen 18 maanden onherroepelijk op het verzet moet zijn beslist. Overschrijding van deze termijn levert een schending op van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur.

3.10. Inmiddels zijn ruim 30 maanden verstreken sinds de betrokkene verzet heeft aangetekend. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit en inadequate activiteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Derhalve is de eerdergenoemde termijn overschreden en brengt het in r.o. 3.9. overwogene mee, dat het verzet alsnog gegrond moet worden verklaard.

3.11. De in de onderhavige zaak op de voet van art. 26 en 26a WAHV betaalde griffierechten dienen door de griffier van de rechtbank aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

3.12. Het hof zal aan betrokkene voor de in eerste aanleg en in hoger beroep verrichte proceshandelingen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toekennen, uitgaande van de wegingsfactor ''licht'', en wel tot een bedrag van € Euro 845,25 (verzetschrift kantonrechter = 1 punt, nadere toelichting op het verzetschrift = 0,5 punt, beroepschrift hof = 1 punt, toelichting op het beroep = 0,5 punt, schriftelijke inlichtingen = 0,5 punt, totaal: 3,5 punten; waarde per punt: € Euro 322,=, gewicht van de zaak: factor 0,5; samenhangende zaken: factor 1,5), met dien verstande dat in elk van de vijf samenhangende zaken één vijfde deel van voormeld bedrag zal worden toegekend, te weten €Euro 169,05.

3.13. Het hof zal bepalen dat dit laatste bedrag aan de griffier van de rechtbank dient te worden voldaan die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene op de voet van art. 26 en 26a WAHV betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank te Utrecht aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van €Euro 169,05, te betalen aan de griffier van de rechtbank die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.