Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9166

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2002-01-09
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2002-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 01/00521

9 januari 2002

CJIB 37831904

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Roermond

van 29 augustus 2001

betreffende

[betrokkene]

voor wie als gemachtigde optreedt Michael Zach, advocaat te Mönchengladbach (Duitsland).

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Roermond niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

Bij brief ingekomen ter griffie van het kantongerecht op 11 september 2001 is tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 17 september 2001 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van het beroep aangevuld. Hierbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verzoek tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep ingediend.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op dit verzoek.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, (oud) WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan de betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking of de beslissing van de officier van justitie.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 14 juni 2001 en een brief van 21 juni 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, gelet op het navolgende.

3.4. In beide brieven schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na bestudering van de zaak tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brieven voldoen reeds daardoor niet aan het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV, en wel omdat zij onzekerheid oproepen met betrekking tot de noodzaak tot het stellen van zekerheid. Ook de zinsnede in de beide brieven waarin de officier van justitie de betrokkene mededeelt dat het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien geen zekerheid wordt gesteld, roept bij de betrokkene blijkens diens schrijven van 23 juni 2001 onzekerheid op ten aanzien van de noodzaak tot het stellen van zekerheid. Voorts is in beide brieven de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld niet juist weergegeven omdat als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de dagtekening van de brief is vermeld in plaats van de dag van verzending. Bovendien is de brief van 21 juni 2001 verstuurd binnen de termijn van de zekerheidstelling die is gesteld in de brief van 14 juni 2001. Ook ontbreekt in beide brieven het rekeningnummer van het CJIB. Tenslotte verzuimt de officier van justitie in de beide brieven te vermelden dat de zekerheidstelling dient te geschieden op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV).

3.5. De hiervoor genoemde gebreken brengen met zich mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en dat het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.

3.6. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

3.7. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter van de rechtbank te Roermond een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank mededeling worden gedaan met inachtneming van het onder 3.1. en 3.2. overwogene.

3.8. In zijn brief van 8 november 2001 heeft de gemachtigde namens de betrokkene een vordering ingezonden ter zake de gemaakte proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van DM 440,80. Met betrekking tot dit verzoek overweegt het hof het volgende.

3.9. Ingevolge art. 13a, eerste lid, WAHV in samenhang met art. 20d, vierde lid, WAHV is het hof bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In het eerste lid van art. 13a WAHV is voorts bepaald, dat het Besluit proceskosten bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is.

3.10. Nu de betrokkene in hoger beroep in het gelijk is gesteld, zal het hof aan haar voor de in hoger beroep verrichte proceshandelingen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toekennen, uitgaande van de wegingsfactor "licht", en wel tot een bedrag van Euro€ 161 (beroepschrift hof = 1 punt; waarde per punt = Euro€ 322; gewicht van de zaak = factor 0,5).

3.11. Gelet op het voorgaande vindt het hof aanleiding om het beroep niet ter zitting te behandelen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Roermond ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, begroot op €€Euro 161.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, in tegenwoordigheid van mr Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.