Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9163

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2002-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 120

Uitspraak

WAHV 01/00378

9 januari 2002

CJIB 30193184

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Den Bosch

van 8 mei 2001

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Eindhoven niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt

3. Beoordeling

3.1. Aan [belangh[belanghebbende] is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 60,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) tot en met 10 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 22 oktober 1999 op de Aalsterweg in de gemeente Eindhoven.

3.2. Bij brief d.d. 29 november 1999 heeft [belanghebbende] voornoemd tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie. Op 15 maart 2000 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.

3.3. De betrokkene heeft tegen de beslissing van de officier van justitie beroep ingesteld bij de kantonrechter.

3.4. Op 26 april 2000 heeft de betrokkene zekerheid gesteld ter hoogte van de sanctie.

3.5. Bij brief van 16 mei 2000 heeft de officier van justitie aan [belanghebbende] verzocht een schriftelijke machtiging te verstrekken.

3.6. Bij brief van 13 april 2000 heeft de betrokkene, kennelijk naar aanleiding van de oproeping voor de zitting van de kantonrechter op 24 april 2001, in een brief aan het kantongerecht onder meer dringend verzocht hem, en niet [belangh[belanghebbende], als partij in de onderhavige zaak aan te merken en gesteld dat hij ten onrechte is aangemerkt als gemachtigde. Op 24 april 2001 is het beroep ter zitting van de kantonrechter behandeld. De betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.7. Bij de bestreden beslissing is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene, ook na daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, geen schriftelijke machtiging heeft overgelegd en het niet mogelijk is dat een persoon beroep instelt in een zaak waarin hij volgens de wettelijke bepalingen geen partij is.

3.8. De betrokkene heeft tijdig tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, nadat hij bij brief van 6 juni 2001 een schriftelijke machtiging van [belangh[belanghebbende] voornoemd aan de kantonrechter heeft doen toekomen. De betrokkene stelt, zakelijk weergegeven:

- dat de betreffende auto, zijnde een lease-auto, tot 1 september 1999 via betrokkene's werkgever [werkgeefster] ter beschikking stond van de (voormalige) werknemer [belangh[belanghebbende] en per 2 september 1999 van de betrokkene, eveneens werknemer bij genoemd bedrijf, waarbij ten gevolge van een administratieve fout de auto op naam van [belanghebbende] voornoemd is blijven staan;

- dat de opgelegde sanctie via de werkgever in april 2000 bij de betrokkene terecht kwam;

- dat de betrokkene ten tijde en ter plaatse van de gedraging de bestuurder van de auto was, dat hij aansprakelijk is voor de sanctie en dat de betrokkene gegronde reden heeft om te verzoeken de zaak op zijn naam te behandelen;

- dat de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld een machtiging over te leggen;

- dat de rechten van de betrokkene zijn aangetast;

- dat er geen enkele basis voor de sanctie is.

3.9. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In het onderhavige geval is betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep bij de kantonrechter omdat hij geen schriftelijke machtiging heeft overgelegd, terwijl de hoogte van de sanctie ƒ 60,-- bedraagt. De WAHV biedt in een zodanig geval niet de mogelijkheid hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen.

3.10. Nu de administratieve sanctie niet aan de betrokkene is opgelegd, zou hij strikt genomen niet uit eigen hoofde doch slechts namens de kentekenhouder in (administratief) beroep kunnen komen. Aldus zou het recht op toegang tot de rechter onvoldoende zijn gewaarborgd voor degene die de gedraging feitelijk heeft verricht en die - zoals in het onderhavige geval - naar valt aan te nemen ook aansprakelijk kan worden gesteld voor betaling van de opgelegde administratieve sanctie. Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de administratieve boete is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk de gedraging heeft verricht, ook deze laatste, naast degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, in (administratief) beroep kan gaan. Dit betekent dat in het onderhavige geval de betrokkene uit eigen hoofde alsnog bij de officier van justitie in beroep kan gaan tegen oplegging van de administratieve sanctie. Hierbij dient met het oog op de toepassing van het bepaalde in art. 6:11 Awb rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de beschikking aanvankelijk is verzonden aan de kentekenhouder van het voertuig.

3.11. Uit het hiervoor onder 3.10. overwogene volgt dat, nu de betrokkene (alsnog) in volle omvang toegang tot de rechter heeft en er aldus geen sprake is van schending van het in art. 6 EVRM verankerde recht van de betrokkene van toegang tot de rechter, voor doorbreking van het in art. 14 WAHV vervatte appelverbod geen plaats is, zodat de betrokkene niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.