Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD8142

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
BK 156/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 238
FutD 2002-0173
V-N 2002/7.3.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 156/99 11 januari 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV (in het onderwerpelijke jaar nog geheten A BV) te Z op de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de Belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993 op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 door de inspecteur aangeslagen naar een belastbaar bedrag van f 90.389,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 3 februari 1999 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, het welk op 15 maart 1999 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 17 september 1999.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 oktober 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde en de inspecteur beiden een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, danwel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is de heer B, geboren 13 mei 1953, die op 1 april 1991 bij belanghebbende in dienstbetrekking is getreden.

Het salaris van de directeur voor 1993 heeft exclusief overhevelingstoeslag bedragen f 129.600,-, terwijl hij over dat jaar mede een beloning ad f 50.000,- heeft genoten in de vorm van een zogenaamde reserve uitgesteld salaris. Tussen belanghebbende en haar directeur is een schriftelijke aanvullende arbeidsovereenkomst gesloten, welke niet is gedagtekend, maar de bepaling bevat dat die overeenkomst van kracht is met ingang van 1 januari 1993 en bij welke overeenkomst aan de directeur een pensioenregeling werd toegezegd, bestaande uit een ouderdomspensioen ingaande op 60-jarige leeftijd, een weduwenpensioen en een tijdelijk overbruggingspensioen.

Ter zake van voormelde pensioenregeling heeft belanghebbende bij het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het onderwerpelijke jaar ten laste van haar resultaat gebracht een bedrag ad f 177.842,-.

Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur voren- bedoelde last niet aanvaard en het aangegeven belastbare bedrag ad negatief f 87.453,- verhoogd met voormeld bedrag van f 177.842,- en vastgesteld op

f 90.389,-.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of per 31 december van het onderwerpelijke jaar sprake is van een pensioenverplichting van belanghebbende jegens haar directeur, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord, zomede voor het geval van het aanwezig zijn van een zodanige verplichting de hoe- grootheid daarvan.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

Uit de brief van haar accountant aan haar van 31 december 1992, de getekende pensioenbrief die van kracht is per 1 januari 1993 en een copie van de pensioenberekening blijkt, dat in 1993 de pensioenverplichting is aangegaan.

Zulks blijkt mede impliciet uit de goedkeuring door de algemene vergadering van aandeelhouders, die haar jaarrekening schriftelijk heeft goedgekeurd. Voor wat betreft de berekening van de pensioenverplichting stelt zij zich niet langer op het standpunt, dat daarbij rekening gehouden moet worden met de reserve uitgesteld salaris, maar uitgegaan kan worden van een salaris van f 129.600,-, hetgeen leidt tot een verplichting ten laste van het onderwerpelijke jaar van f 135.773,-.

Voorts beroept zij zich op de vertrouwensleer, aangezien de inspecteur bij schrijven van 9 oktober 1998 heeft verklaard een voorziening te accepteren van f 49.682,-.

Zij concludeert primair tot een vermindering van het belastbaar bedrag met

f 135.773,-, subsidiair met f 49.682,-, zomede tot een veroordeling van de inspecteur in de kosten van de procedure.

5. Het standpunt van inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voorzover tot dezen van belang, kort samengevat - aangevoerd in het vertoogschrift en mondeling ter zitting:

De gang van zaken rechtvaardigt de conclusie dat er ultimo 1993 en 1994 geen sprake is van een verplichting, doch eerst bij het opstellen van de jaarstukken en/of aangiften voor het jaar 1996 pensioenrechten werden toegekend, dan wel werd besloten een voorziening op te voeren.

Zo er al sprake zou zijn van een pensioenverplichting dient deze te worden vastgesteld op f 49.682,-.

In dat verband merkt hij mede op, dat de dotaties welke betrekking hebben op de jaren tot en met 1992 buiten beschouwing dienen te blijven, aangezien belanghebbende voor die jaren het omslagstelstel heeft gevolgd en dotaties aan de voorziening bewust achterwege heeft gelaten en deze in een later jaar niet alsnog kunnen worden ingehaald.

Met betrekking tot de vertrouwensleer merkt hij op, dat het accepteren van een bedrag van f 49.682,- er op gebaseerd was dat hij geen reden tot twijfel had aan het bestaan van de pensioenverplichting, zodat het beroep op opgewekt vertrouwen dan ook niet terecht is.

Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Vooreerst is in geschil het antwoord op de vraag of per ultimo van het onderwerpelijke jaar belanghebbende jegens haar directeur een pensioenverplichting had, zoals omschreven in de aanvullende arbeidsovereenkomst, welke in afschrift tot de stukken van het geding behoort.

Gelet op de inhoud van het schrijven van de accountant van belanghebbende aan haar directie van 31 december 1992 - welke in afschrift tot de stukken van het geding behoort - zomede op grond van het bestaan van voormelde aanvullende arbeidsovereenkomst en de passivering van de pensioenverplichting op de balans van belanghebbende per 31 december 1993 acht het hof aannemelijk, dat in de loop van 1993 de in die aanvullende arbeidsovereenkomst vervatte pensioenregeling haar vorm heeft gekregen en de dienovereenkomstige pensioenverplichting van belanghebbende jegens haar directeur is ontstaan.

Het beroep is in zoverre derhalve gegrond.

Vervolgens is aan de orde het geschilpunt tot welk bedrag vorenbedoelde pensioenverplichting door belanghebbende op haar balans per 31 december van het onderwerpelijke jaar kan worden gepassiveerd.

Niet langer is in geschil, dat als pensioengrondslag overeenkomstig de pensioenregeling heeft te gelden een jaarsalaris van f 129.600,- te verminderen met een AOW-inbouw van f 13.922,-, ofwel f 115.678,-.

Vaststaat, dat de dienstbetrekking van haar directeur - geboren 13 mei 1953 - bij belanghebbende is aangevangen op 1 april 1991, hetgeen met zich brengt, dat hij overeenkomstig de pensioenregeling ten tijde van zijn pensionering op 60-jarige leeftijd 22 jaren en 1 maand diensttijd zal hebben behaald, in verband waarmee het pensioen op basis van die overeenkomst bedraagt

22 1/12 maal het opbouwpercentage van - naar niet in geschil is - 2.33, ofwel 51.53 per cent van f 115.678,-.

Naar de door belanghebbende - door de inspecteur op zich niet bestreden - gegeven berekening leidt zulks tot een doelvermogen van f 1.091.115,-, welk doelvermogen bij een lineaire opbouw van 22 jaren en 1 maand dient te worden bereikt, hetgeen leidt tot een jaarlijkse passivering van f 49.409,-.

Nu vaststaat, dat de diensttijd van belanghebbende op 1 april 1991 is aangevangen, dient de pensioenverplichting per 31 december 1993

- rekening houdend met een back-service tot 1 april 1991 - te worden bepaald op 2.75 x f 49.409,-, ofwel op f 135.875,- (belanghebbende verdedigt f 135.773,-).

De inspecteur heeft nog verdedigd, dat voor de berekening van de verplichting geen rekening gehouden kan worden met de backservice voor de jaren tot aan 1993, nu belanghebbende voor de aan 1993 voorafgaande jaren kennelijk het omslagstelsel voerde en bij stelselwijziging - hetgeen belanghebbende kennelijk in de visie van de inspecteur deed - inhaal niet is toegestaan.

Het hof gaat aan dat standpunt van de inspecteur evenwel voorbij.

Gelet op voormeld schrijven van 31 december 1992, dat spreekt van een voornemen voor een pensioen, neemt het hof aan, dat vóór 1993 nog niet van een verplichting sprake was, doch deze verplichting - gelijk voren- overwogen - eerst in 1993 tot stand is gekomen.

Alsdan kan niet gesproken worden van een vóór 1993 bestaande verplichting, waarvoor alstoen het omslagstelsel kennelijk werd toegepast, welk stelsel door middel van stelselwijziging in 1993 werd vervangen door het kapitaal- dekkingsstelsel.

Het vorenoverwogene brengt met zich, dat het beroep gegrond is, in verband waarmee het belastbare bedrag dient te worden bepaald op f 90.389,- minus f 135.773,-, ofwel op negatief f 45.384,-.

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op

f 1.420,-, waarbij het hof rekening houdt met de samenhangende zaak, zijnde de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 1994.

7. De beslissing:

Het hof:

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f 1.420,-;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f 85,- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur.

Gedaan op 11 januari 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president, mr.

Fransen, raadsheer en prof. dr. Dijstelbloem, in tegenwoordigheid van de

griffier de heer Haarsma en ondertekend door voornoemde vice-president en

door voornoemde griffier.

Op 16 januari 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.