Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD8141

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
BK 715/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 230
FutD 2002-0176
V-N 2002/16.10

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 715/00 11 januari 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking als bedoeld in artikel 20i van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding

Gedagtekend 8 september 1999 heeft de inspecteur met betrekking tot de aandelen van belanghebbende in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aj B.V. te L (hierna: de B.V.) bij beschikking als bedoeld in artikel 20i van de Wet de verkrijgingsprijs van de aandelen per 1 januari 1997 vastgesteld op f. 800,-- per aandeel.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 9 augustus 2000 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 19 september 2000 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 14 november 2000.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft het hof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 10 mei 2001 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek is ingekomen op 8 juni 2001 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 26 oktober 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, zomede de inspecteur, bijgestaan door een collega.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en die pleitnota overgelegd, zomede -zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - een viertal bijlagen bij die pleitnota.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Per 1 januari 1997 is belanghebbende tezamen met zijn echtgenote eigenaar van 6,67 procent van het aandelenpakket in de B.V., welke vennootschap zich overeenkomstig haar statutaire doelstelling bezig houdt met het beleggen in onroerende zaken.

Op 4 december 1998 wordt door B Consultancy te L een bod op het aandelenpakket in de B.V. uitgebracht tot een bedrag van f. 12.796.353,-- voor het gehele pakket, ofwel f. 1.293,-- per aandeel.

B Consultancy zijn daarbij uitgegaan van een waardering van de onroerende zaken in de vennootschap van circa dertien maal de huuropbrengst, terwijl voorts rekening werd gehouden met een latente vennootschapsbelastingschuld van 17,5 procent van de stille reserves.

Bij de onderwerpelijke beschikking heeft de inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen in de B.V. vastgesteld op f. 800,-- per aandeel.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag welk bedrag in aanmerking moet worden genomen als verkrijgingsprijs van de aandelen in de B.V. van belanghebbende per 1 januari 1997.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

De waardering van de aandelen is direct gekoppeld aan de waardering van de onderliggende onroerende zaken, welke wordt bepaald aan de hand van de huuropbrengsten daarvan. Uitgaande van de huurgegevens per 1 januari 1997 en een vermenigvuldigingsfactor van dertien, zomede rekening houdend met een latente vennootschapsbelastingschuld van 17,5 procent berekent hij de waarde per aandeel op f. 1.213,--.

Hij beroept zich op het door B Concultancy op 4 december 1998 gedane bod, waarbij hij opmerkt, dat B Consultancy een willekeurige onafhankelijke derde is en een grote belegger.

De waardebepaling voor artikel 20i van de Wet is een zelfstandige waardebepaling, waarbij alle relevante beschikbare gegevens in de waardebepaling worden betrokken. Eerst in het kader van de verkoop van de aandelen en de onderhandelingen daarover blijkt hem, dat de werkelijke waarde van de aandelen veel hoger moet zijn dan de theoretische benadering, welke ten grondslag lag aan de aangifte voor de vermogensbelasting voor 1997.

Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en een vaststelling van de waarde van de aandelen per 1 januari 1997 op f. 1.213,-- per aandeel en een veroordeling van de inspecteur tot een vergoeding in de proceskosten.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

Nu de waarde is vastgesteld op een hoger bedrag dan het bedrag van de aangifte voor de vermogensbelasting 1997 is deze eerder te hoog dan te laag vastgesteld.

Hij berekent een intrinsieke waarde per aandeel van f. 542,--, een rendementswaarde per aandeel van f. 177,-- en een rentabiliteitswaarde van f 247,-- per aandeel, zodat al deze berekeningen leiden tot een lagere waardering dan f. 800,-- per aandeel.

Een waardering als minderheidsbelang zou leiden tot een waardering van één maal de intrinsieke waarde, één maal de rentabiliteitswaarde en acht maal de rendementswaarde, het geheel te delen door tien, hetgeen zou leiden tot een waarde van f. 220,-- per aandeel.

Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Naar het bepaalde in artikel 70c, eerste lid, aanhef en letter c van de Wet wordt de verkrijgingsprijs van aandelen welke -gelijk te dezen- naar de regeling zoals die gold op 31 december 1996 niet tot een aanmerkelijk belang behoorden, gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen per 1 januari 1997.

Te dezen is hierbij in geschil, welke per 1 januari 1997 de waarde in het economische verkeer van de aandelen was, zoals deze door de inspecteur bij de onderwerpelijke beschikking op grond van artikel 20i, eerste lid, van de Wet had dienen te worden vastgesteld.

Onder waarde in het economische verkeer dient in dit verband te worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de aandelen op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zal worden besteed.

Met belanghebbende is het hof van oordeel, dat een eventuele gegadigde voor een pakket aandelen in een vennootschap, die zich, zoals de onderwerpelijke B.V., bezig houdt met het beleggen in onroerende zaken, zich in zijn bod zal laten leiden door de waarde van de in die vennootschap aanwezige onroerende zaken, nu gegadigden in een zodanige vennootschap in beginsel gegadigden zijn in belegging in onroerende zaken.

Onder de gegeven omstandigheden acht het hof aannemelijk, dat bedoelde gegadigden -gelijk door belanghebbende verdedigd- bij hun bod daarbij zullen uitgaan van dertien maal de huuropbrengst van de desbetreffende onroerende zaken en rekening zullen willen houden met een vennootschapsbelastinglatentie op de fiscale reserves in de vennootschap tegen 17,5 procent van die stille reserves.

Het hof vindt voor zijn vorenomschreven oordeel een bevestiging in het op de aandelen in de B.V. uitgebrachte bod door B Consultancy -een naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld als onafhankelijke derde te beschouwen grote belegger- die in dat bod eveneens van die uitgangspunten uitgaat.

Op grond van bedoelde uitgangspunten en rekening houdend met de huurbedragen per 1 januari 1997 heeft belanghebbende -op zich onweersproken- de waarde voor het volledige aandelenpakket berekend op f. 1.213,-- per aandeel.

De inspecteur heeft zich voor zijn standpuntbepaling mede beroepen op een lagere rentabiliteits- en rendementswaarde van de aandelen, doch het hof gaat aan die waarden -wat daar overigens van zij- voorbij, aangezien de door een belegger in onroerende zaken -gelijk vorenoverwogen de gebruikelijke gegadigde voor een aandelenpakket als het onderwerpelijke- verlangde rentabiliteit of het verlangde rendement reeds zijn ingecalculeerd in de door hem geboden waarde voor de desbetreffende onroerende zaken, waarbij slechts een nader te bespreken relativerend aspect op zijn plaats is voor het rendement op zijn belegging.

Al het vorenoverwogene heeft betrekking op gegadigden voor het volledige aandelenpakket in een onroerend zaak-B.V..

Voor de eigenaar van een minderheidspakket in een zodanige vennootschap heeft te gelden, dat hij in ondergeschikte mate zijn invloed kan doen gelden op de te kiezen beleggingen en de eventuele herschikkingen daarin, terwijl hij mede de zeggenschap mist de door hem verlangde rentabiliteit op de belegde onroerende zaken in de vorm van het rendement op zijn aandelen zich rechtstreeks te doen toekomen.

Vorenomschreven omstandigheden zullen een zodanige gegadigde aanleiding geven daarmee bij zijn bod rekening te houden in die zin, dat hij op het door hem in beginsel uit te brengen bod gebaseerd op de uitgangspunten gelijk vorenomschreven een korting zal willen toepassen.

Mede gelet op de hoegrootheid van het onderwerpelijke aandelenpakket en vorenomschreven omstandigheden schat het hof deze korting in een schatting in redelijkheid en billijkheid op 10 procent van de waarde van de aandelen, uitgaande van het volledige aandelenpakket. Het vorenoverwogene leidt tot een waarde in het economische verkeer van aandelen per 1 januari 1997 van (afgerond) f. 1.092,-- per aandeel.

Hieraan doet niet af belanghebbendes standpunt dat, nu op zijn pakket het vorenvermelde bod is uitgebracht en de transaktie uiteindelijk in 1999 conform dat bod zijn beslag kreeg, ook per 1 januari 1997 de waarde conform dat bod zou moeten worden bepaald. Een eind 1998 uitgebracht bod brengt immers niet noodzakelijkerwijs mee dat ook reeds op 1 januari 1997 naar de toen geldende omstandigheden een dergelijke gegadigde aanwezig was. De hiermee samenhangende onzekerheid is overigens mede vervat in de vorenvermelde korting van 10 procent.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de inspecteur, dat belanghebbende voor de vermogensbelasting voor 1997 uitgaat van een lagere waarde, aangezien het een belastingplichtige vrijstaat bij onderscheidene gelegenheden waarbij de waarde in het economische verkeer van zijn aandelen aan de orde is, telkens opnieuw zijn standpunt te bepalen en deze standpuntbepaling dan telkens -gelijk te dezen- ter toetsing kan komen.

Het beroep is ten dele gegrond.

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op f. 2.840,--.

7. De beslissing.

Het hof

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

stelt de verkrijgingsprijs van de aandelen in de B.V. per 1 januari 1997 op f. 1.092,-- per aandeel;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op f. 2.840,--, welk bedrag dient te worden betaald door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f. 60,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

Gedaan op 11 januari 2002 door prof. mr. Aardema , vice-president, mr. Drion, raadsheer, en prof. dr. Dijstelbloem, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 16 januari 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.