Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD8138

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
BK 452/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/628

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 452/01 11 januari 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling middelen en ondersteuning van de gemeente Harlingen (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Op grond van de Verordening parkeerbelastingen 1992 van de gemeente Harlingen (: de Verordening) is aan de belanghebbende op 7 april 2001 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter zake van het parkeren van belanghebbendes auto van het merk Ford, met kenteken YY-YY-00.

'Tegen die aanslag is door de belanghebbende tijdig een bezwaarschrift ingediend. Bij de uitspraak van 23 mei 2001 op dat bezwaarschrift heeft het hoofd belanghebbendes bezwaar verworpen en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. Het beroepschrift is op 26 juni 2001 bij het gerechtshof ingekomen. Op 15 augustus 2001 heeft het hoofd een verweerschrift ingediend.

Nadat het hoofd zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de belanghebbende een schriftelijk stuk ingezonden, welk stuk bij het gerechtshof is ingekomen op 10 oktober 2001 en waarvan een afschrift gezonden aan het hoofd met de mededeling dat hij daarop ter zitting kan reageren.

Het hoofd heeft vervolgens een schriftelijk stuk ingezonden, hetwelk als pleitnota is behandeld.

Bij de mondelinge behandeling van 25 oktober 2001, gehouden te Leeuwarden, waren aanwezig belanghebbende en namens het hoofd, de heer A.

Het gerechtshof heeft aan het hoofd verzocht de Verordening en de daarbij behorende bijlagen voor het van belang zijnde belastingjaar 2001 aan het gerechtshof op te sturen daar deze stukken voor dat belastingjaar niet tot de gedingstukken behoorden en van welke stukken een afschrift werd gezonden aan belanghebbende.

Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbendes auto met het bovengenoemde kenteken stond op voormelde datum geparkeerd aan de a-haven (nz) te L, zonder dat bij de aanvang van het parkeren de verschuldigde belasting was voldaan.

3. Het geschil.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. De standpunten van partijen.

De belanghebbende stelt dat op een andere wijze, dan met behulp van de parkeerapparatuur, aantoonbaar tijdig is betaald. Hij heeft op 8 oktober 1998 het bedrag van f. 1,-- overgemaakt op de rekening van de gemeente Harlingen onder vermelding van voorschot parkeerbelasting.

Het hoofd verdedigt de juistheid van de naheffingsaanslag stellende dat belanghebbende de auto niet met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften heeft geparkeerd.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

Artikel 6 van de Verordening bepaalt, voor zover thans van belang, dat de belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

Ingevolge artikel 234, tweede lid van de Gemeentewet wordt als voldoening op aangifte uitsluitend aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

Niet in geschil is dat voor het parkeren van een voertuig op de onderwerpelijke parkeerplaats parkeerbelasting moet worden voldaan met behulp van parkeerapparatuur. Vaststaat dat deze belasting door de belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze is voldaan.

Terecht is derhalve de niet voldane belasting, verhoogd met kosten, nageheven.

Het gerechtshof gaat in deze voorbij aan de stelling van belanghebbende - dat de parkeerbelasting reeds op een eerder tijdstip was voldaan, nml. door middel van een overschrijving van f. 1,-- op

8 oktober 1998 en dat aldus aan hem geen naheffingsaanslag parkeerbelasting had mogen worden opgelegd - nu de Hoge Raad in zijn arrest van 23 februari 2000, in een soortgelijk geval van de belanghebbende, heeft geconcludeerd dat de klachten, welke in casu dezelfde zijn, niet tot cassatie kunnen leiden.

Het gerechtshof is van oordeel, dat belanghebbende geen wezenlijk andere argumenten in het geding heeft gebracht - zoals die reeds eerder ter beoordeling aan de Hoge Raad zijn voorgelegd - die tot een andere conclusie zouden leiden.

Ten aanzien van de op 8 oktober 1998 door de belanghebbende verrichte betaling van f. 1,-- merkt het gerechtshof op dat deze betaling geen andere betekenis heeft dan dat het hier een onverschuldigde betaling betreft.

Voorts merkt het gerechtshof nog op dat wijzigingen in de Verordening, welke wijzigingen betrekking hebben op het

belastingjaar 2001 in vergelijking met het belastingjaar 1997, geen hier van belang zijnde verandering met zich hebben gebracht daar het slechts een omnummering van het betreffende artikel betreft en het juiste tarief voor het onderhavige jaar is toegepast.

Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

7. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedaan op 11 januari 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president,

in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 16 januari 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.