Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD8135

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
BK 391/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/7.3.3
V-N 2002/14.1.7

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 391/00 11 januari 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van f.58.122,-- in afwijking van de aangifte (f.21.816,--), met inachtneming van een belastingvrije som van f.14.204,-- en onder berekening van f.803,-- aan heffingsrente.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 24 maart 2000 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f. 53.409,--; de belastingvrije som bleef ongewijzigd, de heffingsrente werd f.698,--.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 4 mei 2000 is ingekomen en op 5 juni 2000 is aangevuld met een nadere toelichting.

Nadat de inspecteur op 1 september 2000 zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 28 september 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het hof heeft in deze zaak op 12 oktober 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 26 oktober 2001, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 23 november 2001 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 28 november 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 6 december 2001 dat griffierecht voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

De belanghebbende, geboren in 1939, vermeldde in zijn aangifte f.44.765,39 aan ziektekosten (waarvan aftrekbaar f.37.129,--) en f.2.233,20 aan giften (waarvan aftrekbaar f.1.608,--).

De inspecteur stelt thans ( zie 3.1) de aftrekbaarheid van de volgende uitgaven ter discussie:

belanghebbende inspecteur

huisapotheek f. 150,-- f.100,--

kleding en beddegoed 1.575,-- 630,--

autokosten 17.898 km x f.0,60 10.738,-- -,--

arbeidsongeschiktheidsaftrek 1.824,-- 912,--

uitgaven voor psychotherapie 450,-- -,--

autokosten psychotherapie 961,20 -,--

kost en inwoning schoonmoeder 240,-- -,--

begrafeniskosten en kosten van laatste ziekte schoonmoeder (overleden op .................):

uitvaartverzorging f.4.980,50

grafrechten 23,50

grafsteen 1.319,--

mortuarium 190,--

totaal 6.513,-- 4.713,--

reiskosten 250,51 -,--

bed 885,-- -,--

ziekenhuis te Almelo 90,-- -,--

apotheekkosten 272,74 2,59

uittreksel overlijdensakte 13,75 -,--

dankbetuigingen en porti 52,90 ` -,--

verzorgings- en verpleeghuis 15.344,83 -,--

39.360,93 6.357,59

Verschil f.33.003,--

Gift aan buurt-/speeltuinvereniging 20,-- -,--

Gift aan Stichting EO 10,-- -,--

30,-- -,--

In het kader van de behandeling van belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 schreef de inspecteur in een brief van 24 januari 1996 aan belanghebbendes gemachtigde onder meer:

Voorts maak ik van de gelegenheid gebruik u mede te delen dat ik met ingang van 1 januari 1996 alle eerder gemaakte afspraken inzake hoge aftrek kleding/beddegoed en autokosten opzeg.

U zult bij de aangifte 1996 aan moeten tonen dat uw client meer kosten maakt dan andere belastingplichtigen in dezelfde omstandigheden.

Ook bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996 heeft de inspecteur correcties aangebracht met betrekking tot de door de belanghebbende als ziektekosten in aftrek gebrachte uitgaven voor huisapotheek, autokosten en psychotherapie, de arbeidsongeschiktheidsaftrek en enige giften.

Dit hof heeft op 21 april 2000 onder nr. 455/99 de uitspraak, waarbij de inspecteur de voormelde aanslag had gehandhaafd, bevestigd.

Het verwierp daarbij onder meer belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel.

3. Het geschil.

3.1 De inspecteur heeft het door de belanghebbende aangegeven belastbare inkomen aanvankelijk verhoogd met f.36.276,-- aan naar zijn mening teveel in aftrek gebrachte buitengewone lasten en met f.30,-- wegens een te hoge giftenaftrek.

In de uitspraak op het bezwaarschrift heeft hij de eerstgenoemde correctie met f.4.713,-- teruggebracht tot f.31.563,--.

Nadere beschouwing van belanghebbendes aftrekposten heeft de inspecteur echter gebracht tot zijn onder 2. weergegeven stellingname (te corrigeren buitengewone lasten f.33.003,--).

Ook zou het belastbare inkomen naar zijn mening moeten worden verhoogd met f.21,-- aan rente-inkomsten.

3.2 De belanghebbende stelt dat de aangifte juist is.

Hij verzoekt vernietiging van de bestreden uitspraak, vaststelling van het belastbare inkomen op f.21.816,-- zoals aangegeven, en veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

3.3 De inspecteur, van mening dat het belastbare inkomen op een te laag bedrag is vastgesteld, concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Voor de gronden waarop deze standpunten steunen zij verwezen naar de stukken, waaronder de pleitnota van belanghebbendes gemachtigde.

Ter zitting is daaraan nog het volgende toegevoegd:

3.4.1 Namens de belanghebbende:

- van de geschrapte giften heeft hij geen betalingsbewijzen;

- de kosten van het verzorgings- en verpleeghuis -evenals die van het bed in 1996 door zijn schoonmoeder betaald- acht hij aftrekbaar als kosten van laatste ziekte;

- de begrafeniskosten zijn naar zijn mening niet bestreden uit een natura-verzekering.

3.4.2 Door de inspecteur:

- alle namens de belanghebbende overgelegde bewijsstukken heeft hij in kopie bij zijn verweerschrift gevoegd; andere, genoemd in de voormelde pleitnota, zijn hem niet bekend;

- de begrafeniskosten werden tot een bedrag van f.1.800,-- gedekt door het Bewijs van inschrijving met nummer 979775 (bijlage 18 bij het verweerschrift); alleen als die kosten lager zouden zijn geweest dan dit bedrag had de erfgename een geldsom kunnen ontvangen;

- wat betreft de uitgaven voor acht dagen kost en inwoning van belanghebbendes schoonmoeder: zij was niet nooddruftig.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Het vertrouwensbeginsel.

4.1.1 De enkele omstandigheid dat de inspecteur in het verleden bepaalde aftrekposten in verband met belanghebbendes ziekte heeft aanvaard dwingt hem niet die aanvaarding voort te zetten voorzover hij niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat wel te zullen doen.

Zijn onder 2. weergegeven schriftelijke mededeling brengt mee dat voor zo'n vertrouwen met betrekking tot de hoge aftrek kleding/beddengoed en autokosten in 1997 geen plaats was.

4.1.2 Maar ook ten aanzien van de andere omstreden aftrekposten is het aan belanghebbende om tegenover de bestrijding door de inspecteur aannemelijk te maken dat hij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat zij geaccepteerd zouden worden.

Weliswaar zijn de aangiften over 1993 en 1994 (na bezwaar) na onderzoek gevolgd, maar voor de aangifte 1995 is dat gesteld noch gebleken en voor de aangifte 1996 staat zelfs het tegendeel vast, zodat het hof aanneemt dat in 1997 voor dit vertrouwen al evenmin een basis bestond.

4.2 Huisapotheek f.150,--.

Door de aftrek te beperken tot f.100,-- heeft de inspecteur artikel 46, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) juist toegepast.

4.3 Kleding en beddengoed f.1.575,--.

Nu de belanghebbende niet heeft bewezen dat zijn extra uitgaven voor kleding en beddengoed in 1997 f.1.260,-- te boven gingen heeft de inspecteur -gelet op de artikelen 46, derde lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet en 12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990- terecht geen hogere aftrek toegestaan dan f.630,--.

4.4 Autokosten f.10.738,--.

Omdat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn autokosten die van -behoudens zijn ziekte- vergelijkbare belastingplichtigen in 1997 overtroffen bestaat er geen grond dit of enig ander bedrag daarvan als uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit in aftrek te brengen.

4.5 Arbeidsongeschiktheidsaftrek f.1.824,--.

Omdat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook zijn echtgenote voor 45 percent of meer arbeidsongeschikt is, moet het in aanmerking te nemen bedrag beperkt blijven tot f.912,-- (artikel 46, vierde en vijfde lid, van de Wet).

4.6 Uitgaven voor psychotherapie f.450,-- en f.961,20.

De door belanghebbendes echtgenote geraadpleegde psychotherapeut is naar Nederlandse opvattingen niet aan te merken als een heel- of geneeskundige, zodat de uitgaven voor door hem verleende hulp -nu ook niet is gesteld of gebleken dat deze plaatsvond op voorschrift en/of onder begeleiding van een bevoegde genees- of heelkundige- niet zijn gedaan ter zake van ziekte of invaliditeit in de zin van artikel 46, de leden 1, aanhef en onderdeel b, en 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet.

4.7 Kost en inwoning schoonmoeder f.240,--.

Dat het verblijf van belanghebbendes schoonmoeder te zijnen huize verband hield met haar ziekte stempelt de daaraan verbonden kosten niet tot als buitengewone lasten aan te merken uitgaven.

Het betoog van de inspecteur dat zij -indien al niet artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en 2, aan aftrek in de weg zou staan- deze kosten zeer wel ook zelf had kunnen dragen, is immers niet tegengesproken.

4.8 Begrafeniskosten f.6.513,--.

Deze uitgaven hebben voor niet meer dan f.4.713,-- op de belanghebbende en zijn echtgenote gedrukt, omdat de in artikel 8 van het onder 3.4.2 vermelde Bewijs van inschrijving genoemde gecontracteerde Instelling, die ook de uitvaart van hun (schoon)moeder deed uitvoeren, het voor haar rekening komende bedrag van f.1.800,-- op het totaalbedrag van de uitvaartkosten in mindering diende te brengen en dat ook heeft gedaan.

4.9 Reiskosten f.250,51.

Voor deze kosten van verhuizing van belanghebbendes schoonmoeder geldt hetzelfde als onder 4.7 werd opgemerkt.

4.10 Bed f.885,--.

Reeds omdat deze betaling niet in 1997 is verricht (en bovendien niet door de belanghebbende) is aftrek in dit jaar uitgesloten (de artikelen 46, veertiende lid, en 38, eerste lid, van de Wet,

4.11 Ziekenhuis te Almelo f.90,--.

Hiervoor geldt hetzelfde als onder 4.10.

4.12 Apotheekkosten f.272,74.

Aannemelijk is dat voor f.270,13 daarvan (rekening d.d. 22-2-1996) hetzelfde geldt als onder 4.10 werd overwogen.

4.13 Uittreksel overlijdensakte f.13,75.

De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld en de belanghebbende heeft niet weerlegd dat dit bedrag reeds is begrepen in de onder 4.8 vermelde, in aftrek toegelaten begrafeniskosten van f.4.713,--.

4.14 Dankbetuigingen en porti f.52,90.

Dat deze uitgaven door de belanghebbende en zijn echtgenote zijn gedaan acht het hof niet onaannemelijk.

Zoals hierna zal blijken is het bedrag voor de beslissing van dit geschil echter niet van betekenis.

4.15 Verzorgings- en verpleeghuis f.15.344,83.

Hiervoor geldt hetzelfde als opgemerkt onder 4.10.

4.16 Giften f.20,-- en f.10,--.

Reeds omdat deze uitgaven niet met schriftelijke bescheiden zijn gestaafd kan van aftrekbare giften geen sprake zijn (artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet).

5. De conclusie.

5.1 Uit het vorenoverwogene volgt dat de belanghebbende in zijn aangifte ten minste f.32.950,42 aan buitengewone lasten en f.30,-- aan giften teveel in aftrek heeft gebracht, een mogelijke rentecorrectie van f.21,-- nog daargelaten.

5.2 De inspecteur heeft (na bezwaar) de buitegwone lasten met f.31.563,-- verminderd, zodat het belastbare inkomen niet te hoog maar te laag is vastgesteld.

6. Proceskosten.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het hof geen termen aanwezig.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 11 januari 2002 door mr. F.J.W.Drion, raadsheer en voorzitter, mr. J.Huiskes, raadsheer, en mr. J.A.Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier J.M.Gerrits, ondertekend door de voorzitter en de griffier, en op dezelfde dag uitgesproken ter openbare terechtzitting te Leeuwarden.

Op 16 januari 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.