Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0165

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2001
Datum publicatie
10-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00167
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00167

4 juli 2001

CJIB 21216356

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Haarlem

van 8 februari 2001

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad en het Hof te Leeuwarden de zaak hadden teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Bij arrest van 29 november 2000 heeft het hof de zaak teruggewezen naar het kantongerecht, omdat de mededelingen van de griffier van het kantongerecht omtrent de zekerheidstelling van 26 januari 2000 en van 13 april 2000 niet aan de voorschriften van art. 11, derde lid, WAHV voldoen. Op 1 december 2000 heeft het kantongerecht Haarlem een brief omtrent de zekerheidstelling, welke voldoet aan de daaraan volgens art. 11, derde lid, WAHV te stellen eisen, naar de betrokkene gestuurd.

3.2. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in de brief van 1 december 2000 gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie.

3.3. De betrokkene stelt, dat hem – na de brief van 1 december 2000 – bij wege van rappel opnieuw een brief houdende de verplichting tot het stellen van zekerheid had moeten worden toegezonden.

3.4. Aan de betrokkene is in de onderhavige zaak bij arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 4 januari 2000 en vervolgens nog eens bij arrest van dit hof van 29 november 2000 uiteengezet wat het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV inhoudt en wat de gevolgen zijn van het niet tijdig stellen van zekerheid. Nu hij voorts reeds meermalen, zij het niet bij brieven die geheel aan de wettelijke eisen voldeden, in de gelegenheid is gesteld zekerheid te stellen, is hij voldoende in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen door hem na voormeld arrest van het hof opnieuw uit te nodigen zekerheid te stellen bij een brief die, zoals de brief van 1 december 2000, aan de daaraan volgens de wet te stellen eisen voldoet. In het onderhavige geval behoeft de betrokkene dus niet nogmaals in de gelegenheid te worden gesteld om zekerheid te stellen.

3.5. De beslissing van de kantonrechter dient derhalve te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.