Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0162

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2001
Datum publicatie
17-02-2003
Zaaknummer
WAHV 00/00448
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00448

20 juni 2001

CJIB 24651457

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Roermond

van 7 juni 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr A.C.J. Lina, advocaat te Venlo.

1. De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 10 november 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

Mr A.C.J. Lina heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Mr A.C.J. Lina is, als gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstel-ling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

Bij brief van 27 september 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een brief van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden aan de griffier van het kantongerecht gedateerd 27 november 2000 blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld.

3.2. Bij Wet van 15 mei 1997, Stb. 212 is bepaald, dat degene die verzet doet tegen een dwangbevel als bedoeld in art. 26, eerste lid, WAHV bij het verzetschrift het dwangbevel en een afschrift van het exploit van betekening overlegt. Blijkens de Memorie van toelichting bij genoemde wet is deze verplichting in het leven geroepen teneinde de griffier van het kantongerecht te doen beschikken over de gegevens die hij nodig heeft om de betrokkene, wanneer deze – zoals toen nog het geval was – cassatieberoep mocht instellen, te wijzen op diens verplichting zekerheid te stellen en daarbij het bedrag van de zekerheid te vermelden (vgl. HR 8 december 1998, VR 1999, 180). Hieruit vloeit voort dat de griffier van het kantongerecht die de betrokkene overeenkomstig het bepaalde in art. 26a, tweede lid, WAHV wijst op diens verplichting tot zekerheidstelling, daarbij tevens aangeeft hoe die zekerheidstelling dient te geschieden en voor welk bedrag.

3.3. De griffier van het kantongerecht heeft in zijn brief van 27 september 2000 niet het bedrag aangegeven waarvoor zekerheid dient te worden gesteld. Derhalve zal de betrokkene in beginsel opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld zekerheid te stellen. Desalniettemin zal daartoe in het onderhavige geval niet worden overgegaan, en wel op de volgende gronden.

3.4. De kantonrechter heeft de betrokkene in haar verzet niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzet niet tijdig was gedaan. In het beroepschrift stelt de gemachtigde van de betrokkene, dat de termijn voor het instellen van het verzet tegen het dwangbevel is overschreden omdat de betrokkene eerst papieren moest verwerven waaruit kon blijken dat de inleidende beschikking ten onrechte aan haar was opgelegd. Deze door de betrokkene aangevoerde omstandigheid betreft het verschaffen van middelen waarmee zij beoogt de juistheid aan te vechten van de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Tegen die beslissing kan, zoals art. 26, tweede lid, WAHV bepaalt, het verzet echter niet gericht zijn. Daarom stelt de advocaat-generaal met juistheid dat de door de gemachtigde van de betrokkene genoemde omstandigheid niet een bijzondere omstandigheid kan zijn van zo klemmende aard dat – hoewel art. 6:11 Awb in de onderhavige procedure niet van toepassing is – niet-ontvankelijkverklaring achterwege had moeten blijven.

3.5. Nu uit het vorenoverwogene voortvloeit, dat ook indien de betrokkene in haar beroep wordt ontvangen de beslissing van de kantonrechter slechts kan worden bevestigd, wordt de betrokkene niet in haar belangen geschaad door haar niet opnieuw de gelegenheid te geven zekerheid te stellen.

3.6. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.