Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0158

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
10-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00114

11 juli 2001

CJIB 34663761

WAHV 01/00014

6 juni 2001

CJIB 029846421

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch

van 15 november 2000

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 20 september 2000 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige – voor zover hier van belang – slechts ontvankelijk in dat beroep na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een kopie van een brief d.d.

28 november 2000 van de griffier van het kantongerecht te 's-Hertogenbosch, gericht aan de betrokkene. In deze brief wordt de betrokkene gewezen op zijn – hiervoor onder 3.1. weergegeven – verplichting tot betaling van het verschuldigde griffierecht, terwijl hem tevens wordt medegedeeld dat, in verband hiermee, hem binnenkort een acceptgirokaart zal worden toegezonden met daarop het verschuldigde griffierecht ad fl. 170,00. Betaling van het verschuldigde griffierecht zou vervolgens binnen twee weken na dagtekening van die acceptgirokaart moeten plaatsvinden. Bij brief van 10 januari 2001 heeft de griffier van het kantongerecht het hof medegedeeld, dat het griffierecht ad

fl. 170,00 niet is voldaan.

3.3. Nu zich bij de stukken van het geding niet een kopie van de hiervoor

onder 3.2. bedoelde acceptgirokaart bevindt en ook de griffier van het kantongerecht – op verzoek van het hof – niet een afschrift van die acceptgirokaart kon overleggen, kan het hof niet nagaan of voornoemde acceptgirokaart daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden, zodat het hof het er voor moet houden dat dit niet is gebeurd. Daarom is de betrokkene (opnieuw) in de gelegenheid gesteld het verschuldigde griffierecht te voldoen. Hiertoe is op 23 april 2001 een brief verzonden naar het door de betrokkene in zijn beroepschrift opgegeven adres, te weten [adres + woonplaats]. Uit een van PTT Post ontvangen retourkaart blijkt, dat voornoemde brief van 23 april 2001 (verzendbewijs 3S RRRW 9014524) op 24 april 2001 op dat adres in ontvangst is genomen. Derhalve moet ervan worden uitgegaan, dat de betrokkene is gewezen op de ingevolge art. 26a, derde lid, WAHV bestaande verplichting tot betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.4. In aanmerking genomen, dat uit op 16 mei 2001 plaatsgevonden telefonisch contact met de financiële administratie van het kantongerecht te 's-Hertogenbosch is gebleken dat na 23 april 2001 geen griffierecht ad fl. 170,00 door de betrokkene is gestort, is het hof van oordeel, dat de betrokkene niet heeft voldaan aan zijn ingevolge art. 26a, derde lid, WAHV bestaande verplichting tot betaling van het verschuldigde griffierecht en dat derhalve dient te worden beslist als volgt.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr Vellinga, in tegenwoordigheid van de heer Jongeling als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.