Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0152

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00136

23 mei 2001

CJIB 26963115

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Haarlem

van 11 januari 2001

betreffende

[naam], (het hof leest: [naam bedrijf],

hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam],

voor wie als gemachtigde optreedt [naam gmachtigde],

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 18 mei 2000, een brief van 22 mei 2000 en een brief van 2 juni 2000 van de officier van justitie aan de gemachtigde van de betrokkene. Deze brieven kunnen echter niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat de brieven van 18 mei 2000 en 2 juni 2000 niet in de Duitse taal zijn gesteld en de brief van 22 mei 2000 als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de dagtekening van de brief vermeldt in plaats van de datum van verzending. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is.

3.4. Bij brief van 31 mei 2000 heeft de gemachtigde van de betrokkene gereageerd op voormeld schrijven van de officier van justitie d.d. 22 mei 2000 waarbij de betrokkene werd gewezen op het verzuim zekerheid te stellen. Uit de brief van de gemachtigde van de betrokkene blijkt dat hij de informatie omtrent de zekerheidstelling heeft begrepen, maar dat de betrokkene niet van plan is te voldoen aan de voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter door de wet gestelde voorwaarde.

3.5. Nu de betrokkene blijkens het vorenoverwogene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge art. 11, derde lid, WAHV aan de betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat de betrokkene met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.

3.6. Aangezien de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, heeft de kantonrechter de betrokkene terecht niet-ontvankelijk in het beroep verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.