Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0148

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00407

23 mei 2001

CJIB 27893589

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Haarlem

van 24 augustus 2000

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 6 september 2000 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 18 oktober 2000, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 20 oktober 2000 ter griffie van het kantongerecht ontvangen. Nu in het – overeenkomstig artikel 15, eerste lid, WAHV aan het kantongerecht geadresseerde – beroepschrift als adres een postbusnummer is vermeld, kan worden aangenomen dat de betrokkene dit beroepschrift per post heeft verzonden. Bij de stukken bevindt zich echter niet de envelop waarin die verzending is geschied, zodat niet aan de hand daarvan kan worden vastgesteld op welke datum de afstempeling op het postkantoor heeft plaatsgevonden. De mogelijkheid bestaat dan ook dat het beroepschrift op 18 oktober 2000, derhalve binnen de beroepstermijn van zes weken, ter post is bezorgd.

3.2. Nu het hof niet kan nagaan op welke datum het beroepschrift ter post is bezorgd, moet het ervoor worden gehouden dat dit voor het einde van de beroepstermijn is gebeurd, zodat het beroepschrift, dat niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen, tijdig is ingediend.

3.3. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.

3.5. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 11 februari 2000 en een brief van 25 februari 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, onder meer omdat beide brieven als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld de dagtekening van de brief vermelden in plaats van de datum van verzending. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.

3.6. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van het kantongerecht mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.3. en 3.4. overwogene.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Haarlem ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr Huisman, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.