Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0121

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2001
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2001-02-28
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2001-02-28
Algemene wet bestuursrecht 6:24, geldigheid: 2001-02-28
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2001-02-28
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2001-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00406

28 februari 2001

CJIB 20313871

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Haarlem

van 24 augustus 2000

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 6 september 2000 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 13 november 2000, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 15 november 2000 ter griffie van het kantongerecht ontvangen. Het beroepschrift is dus niet binnen de wettelijke termijn ingediend.

3.3. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Betrokkene voert aan, dat zij failliet is, dat zij haar post via de curator ontvangt en dat zij daarom de post altijd te laat krijgt.

3.4. Betrokkene heeft niet aangevoerd, dat zij de beslissing van de kantonrechter op haar tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep door de door haar genoemde omstandigheid zo laat heeft ontvangen, dat de beroepstermijn reeds (vrijwel) was verstreken, toen zij de bedoelde beslissing van de curator ontving. Reeds daarom brengt de door de betrokkene aangevoerde omstandigheid niet mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is.

3.5. Gelet op het vorenoverwogene dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president als voorzitter, Kalsbeek en Huisman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.