Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0115

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2001
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00347
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2001-02-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13, geldigheid: 2001-02-26
Wet algemene bepalingen 11, geldigheid: 2001-02-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00347

26 februari 2001

CJIB 32571772

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Groningen

van 5 september 2000

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Bij de nadere toelichting op het beroep is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 februari 2001. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.J. Beswerda.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 13 juli 2000 en een brief van 27 juli 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Beide brieven kunnen echter niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat in beide brieven als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld de dagtekening van de brief is vermeld in plaats van de datum van verzending. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing besloten liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is.

3.4. In zijn mondelinge toelichting ter ’s hofs zitting heeft de betrokkene doen blijken de informatie omtrent de zekerheidstelling te hebben begrepen, maar niet van plan te zijn te voldoen aan de voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter door de wet gestelde voorwaarde.

3.5. Nu betrokkene blijkens het vorenoverwogene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge artikel 11, derde lid, WAHV aan betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de (aanvang van) de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat betrokkene met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.

3.6. Naar de betrokkene stelt is de kern van zijn grieven hierin gelegen dat de WAHV een ordinaire zakkenvullerswet is en dat hij het opleggen van een administratieve sanctie heeft uitgelokt om dit aan de kaak te stellen. Een en ander kan – daargelaten de juistheid van het gestelde – de rechter er niet toe brengen het bepaalde in art. 11, eerste lid, WAHV opzij te zetten en wel niet omdat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (art. 11 Wet Algemene Bepalingen).

3.7. Het tweede lid van art. 13 WAHV schrijft voor dat de beslissing van de kantonrechter op een openbare zitting wordt uitgesproken. Uit de beslissing zelf blijkt niet dat de uitspraak in het openbaar is gedaan. Verder bevindt zich bij de stukken van het geding niet een proces-verbaal waaruit kan volgen dat de uitspraak is gedaan op een openbare zitting. Het voorschrift met betrekking tot de openbaarheid van de uitspraak is voor een goede rechtspleging van zo wezenlijke betekenis dat de niet-naleving daarvan leidt tot nietigheid van de betreffende beslissing.

3.8. Het hof zal daarom de bestreden beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 februari 2001.