Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0112

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2001
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00245
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:4, geldigheid: 2001-02-26
Algemene wet bestuursrecht 6:9, geldigheid: 2001-02-26
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2001-02-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2001-02-26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2001-02-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00245

26 februari 2001

CJIB 21303189

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Sommelsdijk

van 14 april 200

betreffende

naam (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te (naam woonplaats).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 9 december 2001 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Blijkens de stukken van het geding is de mededeling van de beschikking van het kantongerecht op 21 april 2000 verzonden. Het beroepschrift is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van het kantongerecht ingekomen op 9 mei 2000. Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van het kantongerecht.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 1:4 Awb zijn de art. 6:9 en 6:11 Awb van toepassing uitgesloten. De wetgever heeft bij de vaststelling van de huidige tekst van art. 26a WAHV in lid 3 van dat artikel wel voorzien in de gelegenheid tot herstel van het verzuim met betrekking tot de betaling van het griffierecht, doch niet in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de wetgever –anders dan in het niet van toepassing zijnde art. 6:11 Awb- in beginsel niet heeft willen voorzien in verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. Daarom kan slechts in bijzondere omstandigheden van klemmende aard worden aangenomen, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzetschrift op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.

Het beroepschrift is gedateerd 3 mei 2000 en het is blijkens een sticker van de PTT op de envelop aangetekend op deze datum verzonden. Het beroepschrift is vervolgens op 9 mei 2000 ontvangen ter griffie van het kantongerecht. Het hof gaat ervan uit dat de PTT het aangetekend verzonden beroepschrift eerst op laatstgenoemde datum aan het kantongerecht heeft aangeboden. Die omstandigheid levert echter geen bijzondere omstandigheid van klemmende aard op als bedoeld in r.o. 3.2.

De betrokkene moet derhalve in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 februari 2001.