Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0104

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2001-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 00/00236

1 februari 2001

CJIB 24374475

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Tiel

van 20 juni 2000

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 21 november 2000 heeft het hof een schrijven van de betrokkene ontvangen, waarin hij onder meer verzoekt om een zitting.

Het hof heeft ambtshalve besloten om het beroep ter zitting te behandelen.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 januari 2001. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.G. Brontsema. De betrokkene is niet verschenen.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan de betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking of de beslissing van de officier van justitie.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 15 december 1999 en een brief van 29 februari 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan echter worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, omdat noch in de brief van 15 december 1999 noch in de brief van 29 februari 2000 een datum is vermeld waarop de termijn aanvangt waarbinnen alsnog zekerheid dient te worden gesteld.

3.4. Bij brief van 10 maart 2000 heeft de griffier van het kantongerecht aan de betrokkene medegedeeld dat het beroep wordt behandeld ter zitting van 2 mei 2000. Per faxbericht d.d. 28 april 2000 heeft de betrokkene om aanhouding van zijn zaak verzocht. De kantonrechter heeft op de zitting van 2 mei 2000 de behandeling van het beroep van de betrokkene geschorst tot 6 juni 2000. Voorts heeft de kantonrechter de griffier opdracht gegeven om de betrokkene in de gelegenheid te stellen om voor de zitting van 6 juni 2000 alsnog zekerheid te stellen. Vorenstaande is in het proces-verbaal van de zitting opgenomen. Bij brief van 15 mei 2000 is de betrokkene opgeroepen voor de zitting van 6 juni 2000. Bij deze brief is een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 2 mei 2000 gevoegd. De betrokkene is ter zitting van 6 juni 2000 verschenen. Hij heeft aldaar aangegeven de oproeping van 15 mei 2000 en het afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 2 mei 2000 te hebben ontvangen. De betrokkene heeft voorts verklaard geen zekerheid te hebben gesteld, hetgeen in hoger beroep niet is bestreden.

3.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel, dat in dit geval is voldaan aan het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV. De beslissing van de kantonrechter komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Huisman, raadsheer, in tegenwoordigheid van

mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2001.