Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0102

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2001-02-01
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2001-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 75

Uitspraak

WAHV 00/00124

1 februari 2001

CJIB 24898519

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Gouda

van 1 maart 2000

betreffende

(naam, hierna te noemen: betrokkene),

wonende te (woonplaats).

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel heeft de betrokkene een schrijven van 12 juli 2000 naar het hof gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 januari 2001. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.G. Brontsema.

Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h“, welke gedraging zou zijn verricht op 10 januari 1999 op de Henegouwerweg in de gemeente Waddinxveen.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij voert hiertoe aan, dat zijn auto met het kenteken (nummer) ten tijde van de gedraging bij hem thuis was en zich niet op de hiervoor aangegeven plaats bevond. De betrokkene vermoedt dat er een auto met hetzelfde kenteken rondrijdt.

3.3. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moed worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste

kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien - zoals te dezen is geschied - door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister.

3.4. Bij de stukken bevindt zich een tweetal foto’s door middel waarvan de gedraging is geconstateerd. Uit deze foto’s blijkt dat met een voertuig van het merk Volvo met het kenteken (nummer) op 10 januari 1999 ter plaatse 74 km/h is gereden. Voorts blijkt daaruit dit voertuig twee antennes heeft en dat links op de achterzijde een NL-sticker is aangebracht. In de procedure bij de officier van justitie heeft de betrokkene een foto van zijn auto met het kenteken (nummer) ingebracht. In aanmerking genomen dat het merk en het type hetzelfde zijn, de antennes op dezelfde plaats zitten en de NL-sticker eveneens op dezelfde plaats zit, is aannemelijk, dat de geconstateerde gedraging is verricht met het motorrijtuig, waarvan het kenteken op naam van de betrokkene is geregistreerd. Het oordeel van de betrokkene dat tussen de auto’s op beide foto’s relevante verschillen kunnen worden waargenomen deelt het hof niet.

3.5. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

3.6. De betrokkene voert aan, dat in dit geval voormelde termijn is overschreden, dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hier sprake is van een fatale termijn en dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.7. De advocaat-generaal heeft niet bestreden dat voormelde termijn is overschreden. Nu het tegendeel voorts uit de gedingstukken niet blijkt, is derhalve niet in geschil dat de officier van justitie het beroepschrift niet binnen de in art. 11, eerste lid, WAHV genoemde termijn aan het kantongerecht ter kennis heeft

gebracht. Het hof stelt met de advocaat-generaal vast, dat noch in de Awb noch in de WAHV een sanctie is gesteld op overschrijding van de in art. 11, eerste lid, WAHV genoemde termijn. Het hof is voorts van oordeel, dat niet is gebleken dat de betrokkene door de termijnoverschrijding is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Er is derhalve geen reden om in dit geval aan de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden.

3.8. De betrokkene voert voorts aan, dat de officier van justitie de politie bij brief van 2 september 1999 om inlichtingen heeft verzocht, dat de politie hierop in het geheel niet heeft gereageerd, dat op het verzoek van de officier van justitie de Richtlijn WAHV, Stcrt 250/1994, van toepassing is en dat deze Richtlijn inhoudt dat de inleidende beschikking in beginsel moet worden vernietigd, indien de politie niet binnen een termijn van drie weken op het verzoek van de officier van justitie reageert. De betrokkene stelt zich daarom op het standpunt dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd.

3.9. De advocaat-generaal bestrijdt niet dat de politie niet heeft gereageerd op het verzoek van de officier van justitie, doch stelt dat de betrokkene hierdoor niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad.

3.10. Het hof stelt allereerst vast, het verzoek om informatie van de officier van justitie aan de politie is gedaan, nadat de betrokkene beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, houdende afwijzing van zijn beroep tegen de inleidende beschikking.

3.11. Het hof stelt voorts vast, dat de door betrokkene genoemde Richtlijn is vervangen door de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, een Circulaire van het College van procureurs-generaal aan de hoofden van de parketten van 20 juni 1999, nr. 1999 A 027, Stcrt. 137, inwerking getreden op 1 augustus 1999. Deze Aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Een verzoek van het OM om nadere informatie naar aanleiding van een beroepschrift dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken te zijn afgehandeld. Als de politie de gevraagde informatie niet binnen deze termijn kan aanleveren, dient een tussenbericht aan het OM te worden toegezonden. Niet of te laat reageren leidt in principe tot vernietiging van de beschikking.”.

3.12. In aanmerking nemende dat het niet aannemelijk is, dat een voorschrift, waaraan zo’n strenge sanctie is verbonden, is geschreven voor een situatie, waarin de wet niet voorziet, verstaat het hof dit voorschrift aldus, dat het van toepassing is, in geval bij de politie informatie wordt gevraagd naar aanleiding van een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift, gericht tegen de inleidende beschikking. Het onderhavige voorschrift is derhalve niet van toepassing op het verzoek tot inlichtingen gedaan bij brief van 2 september 1999.

3.13. De betrokkene voert verder aan, dat de gang van zaken tijdens de zitting van de kantonrechter op 16 februari 2000 in strijd was met het beginsel van fair trial, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, omdat de betrokkene en de officier van justitie ter zitting van de kantonrechter niet op een gelijkwaardige plaats in de zaal zaten. Wat daarvan ook zij, uit het proces-verbaal blijkt dat de betrokkene ter zitting het woord gevoerd heeft aan de hand van een pleitnotitie en derhalve zijn argumenten naar voren heeft kunnen brengen. Dat hij nadien niet adequaat heeft kunnen reageren op het standpunt van de officier van justitie, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk.

3.14. Uit het “afschrift aantekening uitspraak” d.d. 15 maart 2000 blijkt niet dat de beslissing van de kantonrechter in het openbaar is uitgesproken. Het tweede lid van art. 13 WAHV schrijft voor dat de beslissing van de kantonrechter op een openbare zitting wordt uitgesproken. Het voorschrift met betrekking tot de openbaarheid van de uitspraak is voor een goede rechtspleging van zo wezenlijke betekenis dat de niet-naleving daarvan leidt tot nietigheid van de betreffende beslissing. Nu in casu niet is gebleken dat de beslissing van de kantonrechter in het openbaar is uitgesproken, zal het hof de bestreden beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.15. Hetgeen de betrokkene overigens heeft aangevoerd, behoeft na het voorgaande geen zelfstandige bespreking meer.

3.16. De betrokkene heeft verzocht de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten. Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu de betrokkene in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs Huisman, raadsheer, als voorzitter, Vellinga, vice-president en Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2001.