Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0017

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00/00049
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 126
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00049

19 juli 2000

CJIB 25823854

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Delft

van 26 januari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr J.H. van Dijk,

wonende te Nijmegen.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

Mr J.H. van Dijk heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van: "Overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen, (Gedragsregel) meer dan 35 km/h en tot en met 40 km/h", gepleegd op 10 maart 1999 om 21.30 uur op de Rijksweg A13 te Delft.

3.2. Namens betrokkene wordt in de eerste plaats gesteld dat de officier van justitie zich niet ter zitting van het kantongerecht had mogen laten vertegenwoordigen door een parketsecretaris.

3.3. Die stelling faalt. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de officier van justitie zich op een zitting als de onderhavige laat vertegenwoordigen door een parketsecretaris. Ook het bepaalde in afdeling 10.1.1 Awb vormt daartoe geen beletsel.

Voorts kan uit het bepaalde in het op 1 juni 1999 inwerking getreden art. 126 RO niet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke vertegenwoordigings-bevoegdheid niet heeft willen weten.

De ontstaansgeschiedenis van die bepaling wijst op het tegendeel. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt immers onder meer in:

"Mandaatverlening ter zake van het optreden ter zitting van de civiele of bestuursrechter wordt - dit in antwoord op vragen van de leden van de SGP fractie - niet categorisch uitgesloten. Het OM heeft verscheidene bijzondere taken op grond van een groot aantal wetten. Deze zijn zo divers van aard dat het te ver zou voeren om te eisen dat te allen tijde de

officier van justitie zelf op de zitting verschijnt. Zo zijn in de laatste jaren in de praktijk - zoals de leden van de GPV fractie terecht constateren - goede ervaringen opgedaan met de vertegenwoordiging van het OM tijdens de zitting door parketsecretarissen in het kader van de Wet Mulder - zaken". (Kamerstukken II, 1997-1998, 25392, nr.7, blz.36)

3.4. In de tweede plaats wordt namens betrokkene aangevoerd dat de wijze waarop de gedraging is vastgesteld onzorgvuldig is geschied en er niet toe heeft kunnen leiden dat is vastgesteld dat betrokkene heeft gereden met een snelheid van 157 km/h.

3.5. Uit het zaakoverzicht en het naderhand door de constaterend ambtenaar

opgemaakte proces-verbaal leidt het hof af dat de gereden snelheid van 157 km/h is vastgesteld doordat de betrokkene over een afstand van ongeveer 200 meter op een ongeveer gelijkblijvende afstand van ongeveer 200 meter is gevolgd.

Voorts houdt het proces-verbaal omtrent de wijze van meting in:

"De werkwijze van de/een meting wordt als volgt gemeten: Op de autosnelwegen staan aan weerszijde hectometerpaaltjes, deze staan op een onderlinge afstand van 100 meter. Door middel van deze hectometerpaaltjes bepaal ik, verbalisant Meijer, de juiste afstand tussen het te controleren motorvoertuig, mijn dienstmotor en de afstand waarop ik het motorvoertuig heb gevolgd".

3.6. In aanmerking genomen dat het meten van de snelheid kennelijk bij duisternis en bij hoge snelheid heeft plaatsgevonden, gedurende een -bij de gemeten snelheid (ruim 40 m/sec) over een gelijkblijvende volg-afstand van 200 meter- zeer korte tijdsduur van enkele seconden, is het hof van oordeel dat door de wijze van constateren in onvoldoende mate vaststaat dat de werkelijk gereden snelheid van betrokkene meer heeft bedragen dan 155 km/h.

3.7. Dat betekent dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd en het hof opnieuw zal beslissen.

3.8. Namens betrokkene is gesteld dat de snelheid waarmee betrokkene heeft gereden tussen 135 en 140 km/h heeft gelegen. Uitgaande van die snelheid zal het hof de omschrijving van de gedraging, de feitcode en het sanctiebedrag wijzigen in voege als na te melden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

wijzigt, met vernietiging van de inleidende beschikking in zoverre, de omschrijving van de gedraging en de feitcode in:

overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel);

meer dan 15 km/h en t/m 20 km/h, feitcode S300C;

stelt het bedrag van de sanctie vast op f 110,--;

bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld een bedrag van f 220,-- aan deze door de griffier van het kantongerecht wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Kalsbeek, raadsheer als voorzitter, Vellinga en Dijkstra, vice-presidenten, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2000.