Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AF0002

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-11-2001
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
2001-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Degene die niet tijdig toepassing van de schuldsaneringsregeling vraagt en failliet wordt verklaard, is toerekenbaar te laat als hij vervolgens nog één jaar wacht (met het verzoek tot omzetting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen in zake:

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Procureur mr. H. de Jong.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 25 oktober 2001 heeft de rechtbank te leeuwarden afgewezen het verzoek van x., het op 21 september 2000 uitgesproken faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 november 2001 heeft X. verzocht het vonnis van 25 oktober 2001 te vernietigen en opnieuw beslissende - naar het hof begrijpt - alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 22 november 2001 is de zaak behandeld.

De beoordeleing

In artikel 3 lid 1 Faillissementswet (hierna Fw) is bepaald dat de griffier de schuldenaar - nadat een verzoek tot faillietverklaring van de schuldenaar is ingdiend en de schuldenaar nog geen verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling - terstond bij brief kennis geeft aan de schuldenaar binnen veertien dagen na de dag van de verzending van die brief een verzoekschrift tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen.

Indien de schuldenaar hieraan geen gevolg heeft gegeven kan - overeenkomstig artikel 15b lid 1 Fw - een daaropvolgend uitgesproken faillissement, totdat de verificatievergadering is gehouden, worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar of indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de failleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden geen verzoekschrift tot het van toepassing binnen de in artikel 3 lid 1 Fw genoemde termijn van veertien dagen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de situatie zoals omschreven in artikel 15b lid 1 Fw zich niet voordoet, zodat het verzoek van X. diens faillissement op te heffen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken dient te worden afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het X. valt toe te rekenen dat hij niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

X. komt hiertegen op, zonder een expliciet geformuleerde grief aan te voeren, en stelt dat hij ten tijde van de faillissementsaanvraag een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling achterwege heeft gelaten, omdat hij ervan uitging dat - gelet op de afspraken die hij met de procureur die het verzoek tot faillietverklaring had ingediend had gemaakt over de intrekking van dat verzoek -, de faillissementsaanvraag geen doorgang zou vinden.

Vervolgens heeft hij - mede wegens zijn drukke werkzaamheden - besloten niet ter zitting te verschijnen.

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.

Bij verzoekschrift d.d. 4 september 2000 heeft de besloten vennootschap Y. NVB-Z B.V. verzocht X. in staat van faillissement te verklaren. X. is - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 1 Fw - bij brief van 5 setember 2000 van de griffier van de rechtbank te Leeuwarden gewezen op de mogelijkheid een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen.

Tevens is X. bij voormelde brief d.d. 5 september 2000, de dag waarop - indien X. geen gebruik maakt van de mogelijkheid im binnen veertien dagen na dagtekening van de brief een verzoekschrift tot toepssing van de schuldsaneringsregeling in te dienen - de faillissmenentsaanvraag wordt behandeld. Voorts is x. medegedeeld dat hij hiervoor geen nieuwe oproep krijgt.

X. heeft binnen artikel 3 lid 1 Fw gestelde termijn geen verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. X. is niet verschenen bij de behandeling van de faillissementsaanvraag in eerste aanleg.Bij vonnis van 21 september 2000 van de rechtbank te Keeuwarden is X. bij verstrek in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Giltay tot rechter-commissaris en mr. Kremers tot curator.

Op 25 september 2000 heeft de curator X. op de hoogte gesteld van de faillissementsuitspraak en hem gewezen op de mogelijkheid hiertegen in verzet te komen. Tevens heeft de curator met X. gesproken over een schuldsaneringsregeling. X. heeft deze mogelijkheid niet benut, omdat hij dacht dat het tot een akkoord zou komen met de schuldeisers.

Bij brief van 13 september heeft X. verzocht onder opheffing van het faillissement van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Vaststaat dat, nu het verzoek tot faillietverklaring van X. is ingediend door de besloten vennootschap Y. NVB-Z B.V., heeft faillissement van X. niet is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar.

Eerst ter zitting in hoger beroep heeft X. gesteld dat hij de brief d.d. 5 september 2000 van de rechtbank niet ontvangen althans niet gezien althans niet gelezen heeft. X. stelde voorts dat hij het toen druk had en niet alle post na kon kijken.

X. heeft ter zitting bevestigd dat hij ten tijde van de faillissementsaanvraag woonde - en nog steeds woont - op het adres waar de voormelde brief naar is verzonden.

De brief d.d. 5 september 2000 bevatte de (enige) oproep om ter zitting van de behandeling van de faillissementsaanvraag d.d. 21 september 2000 te verschijnen. Ter zitting in hoger beroep is voorts gebleken dat X. zelf besloten heeft niet te verschijnen ter zitting d.d. 21 september 2000. Hieruit vloeit voort dat X. kennelijk op de hoogte was van voormelde behandeling van de faillissementsaanvraag.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof ervan uit dat X. de brief d.d. 5 september 2000 van de rechtbank heeft ontvangen en heeft kennisgenomen van de inhoud van deze brief.

Gelet op het vorengaande is het hof van oordeel dat X. kan worden toegerekend dat hij niet binnen de in artikel 3 lid 1 Fw gestelde termijn een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.

Het hof heeft bij zijn beslissing voorts in aanmerking genomen dat X. een periode van een jaar heeft laten verstrijken alvorens alsnog een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. De omstandigheid dat X. in deze periode vergeefs heeft getracht de schuldeisers een akkoord aan te bieden rechtvaardigt deze zeer late indiening niet.

Nu niet aan het criterium van artikel 15b lid 1 Fw is voldaan, dient het verzoek van X. tot het alsnog opheffen van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigd het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs. Boon, voorzitter, Bloem en Laagland, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 28 november 2001.