Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AE9995

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-01-2001
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
0000358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens om het leven brengen van een persoon is een schuld niet te goeder trouw, waarbij meespeelt dat appellant nimmer vrijwillig op deze schuld heeft afgelost, zodat hij thans niet kan worden toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te Leeuwarden

Arrest gewezen inzake

X.,

Wonende te P.,

Appellant,

Hierna te noemen: X.,

Procureur mr. J. Pieters.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 23 november 2000 heeft de rechtbank te Leeuwarden het verzoek van X. om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2000, heeft X. onder aan voering van twee grieven verzocht het vonnis van 23 november 2000 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de overige stukken.

Ter zitting van 14 december 2000 (pro forma) en 4 januari 2000 is de zaak behandeld. De raadsman van X. heeft een toelichting gegeven. X. is met behulp van een tolk gehoord.

De beoordeling

X. verzoekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De rechtbank heeft dit verzoek op grond van artikel 288 lid 2 onder b Faillissementswet (hierna Fw) afgewezen omdat X. niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan Y. c.s. en de schuld aan de rechtbank. De tegen deze beslissing aangevoerde grieven beogen het geschil in volle omgang aan het hof voor te leggen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

X. voert hiertegen aan dat niet gesteld kan worden dat hij niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van voornoemde schulden. Hij wijst er hierbij op dat de schulden niet samenhangen met een vermogensdelict, zodat niet gezegd kan worden dat van hem te verwachten valt dat hij de crediteuren zal benadelen of zich niet aan de uitgangspunten van een schuldsaneringsregeling zal houden. X. stelt voorts dat hij, hoewel hij de ernst van het feit waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld onderkent, naar geldende maarschappelijke normen zijn straf heeft gehad. X. erkent zijn verplichting tot vergoeding van de schade, maar zijn financiƫle situatie is zodanig - aldus X. - dat reeds nu redelijkerwijs is te voorzien dat hij gedurende zijn leven nimmer in staat zal de toegewezen vergoeding (of zelfs de rente daarop vallend) te voldoen. X. wijst er verder op dat inmiddels 8 jaren na het plegen van het misdrijf zijn verstreken, dat hij verder geen misdrijven heeft gepleegd en geen schulden heeft gemaakt.

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken. X. heeft op 4 juni 1992 een persoon van het leven beroofd en is daarvoor in hoger beroep strafrechtelijk veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. Hij is op 10 maart 1995 in vrijheid gesteld. P is vervolgens in het kader van een eind 1995 door de nabestaanden aangespannen civiele procedure - blijkens de gegevens opgenomen in het dwangbevel ter zake de proces kosten uitgevaardigd en executoir verklaard op 7 respectievelijk 11 oktober 1999 - bij vonnis d.d. 10 februari 1999 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de nabestaanden ten bedrage van fl. 839.860,-- welk bedrag tengevolge van rente en ( incasso)kosten inmiddels is opgelopen tot - blijkens de aanmaning d.d. 8 februari 2000 van de deurwaarder - een bedrag van fl. 1.063.331,56. verder is X. ter zake de in debet gestelde proceskosten gehouden aan de griffier van de rechtbank te Leeuwarden te voldoen een bedrag van fl. 16.035,01 alsmede de aan de invordering daarvan verbonden kosten. Na zijn invrijheidstelling heeft X. - aldus zijn verklaring ter zitting - tot 15 maart 1999 een bijstandsuitkering. X. werkt sedert 15 maart 1999: eerst in Purmerend in een kippenslachterij en thans bij een visfiletbedrijf in Harlingen waarmee hij ruim fl. 1.900,-- netto per maand inclusief vakantiegeld verdient. Omstreeks juni 2000 is beslag gelegd op het loon tot de beslagvrije voet (90% van de - voor X. geldende - bijstandsnorm voor een alleenstaande).

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen gaat het bij de facultatieve afwijzingsgrond in artikel 288 lid 2 onder b Fw niet om de goede trouw als bedoeld in artikel 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 en 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf. Bij de toetsing van deze weigeringsgrond kan de rechter alle (relevante) omstandigheden betrekken zoals de aard en de omvang van vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en of onbetaald zijn gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen en dergelijke.

In aanmerking nemende dat X. voor de feiten die aan de civiele vordering ten grondslag liggen ook strafrechtelijk is veroordeeld, is het hof van oordeel dat X. ten aanzien van het ontstaan van de schuld ter zake de schadevergoedingsvordering niet te goeder trouw is geweest. Zowel de omstandigheid dat X. - zoals hij stelt - ten tijde van zijn daad in redelijkheid niet heeft kunnen vermoeden dat door zijn handelen een civiele vordering zou ontstaan als ook de omstandigheid dat X. de door de strafrechter opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan, doen niet af aan voornoemd oordeel.

Gelet op het voorgaande alsmede gelet op de bijzondere aard en de omvang van de vordering die in februari 1999 gerechtelijk is vastgesteld, is het hof van oordeel dat X. thans niet kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat X. naar 's hofs oordeel op dit moment onvoldoende inspanningen heeft verricht en zich onvoldoende opofferingen heeft getroost om op zijn schulden - en specifiek de bijzondere schuld ter zake de vastgestelde schadevergoeding - af te lossen. Immers ondanks het feit dat X. - blijkens het door de GKB Friesland opgestelde overzicht van schulden d.d. 18 oktober 2000 - geen betalingen verricht op zijn schuld ter zake van de schadevergoeding terwijl hij daartoe - gelet op het medio 2000 gelegde loonbeslag waardoor X. thans sedert kort en wel gedwongen op (een van) zijn schulden betaalt - wel de mogelijkheid had. X. is voorts een lening aangegaan bij de Rabobank ten bedrage van fl. 15.000,-- voor onder meer de aankoop van een auto, welke hij, zo de aankoop van deze auto al noodzakelijk is geweest in verband met zijn werkzaamheden in Purmerend, nog steeds aanhoudt ondanks het feit dat hij vanaf begin januari 2000 woont en werkt in Harlingen.

Het hof ziet in het licht van het vorenoverwogene in de overige door X. aangevoerde feiten en omstandigheden - waaronder het tijdsverloop sedert het strafrechtelijk vergrijp in 1992 - geen aanleiding om anders te beslissen.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van X. tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs Boon, voorzitter, Bloem en Postma, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, fungerend-president, lid der eerste enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevr. E als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 januari 2001.