Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD9929

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
rolnummer 0100072
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 19 december 2001

Rolnummer 0100072

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.J. Tjallema,

tegen

[geïntimeerde], ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. R. Dijkema.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen

uitgesproken op 11 november 1998 en 13 december 2000 door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden en de rolbeschikking van die rechtbank d.d. 22 december 1999.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 1 maart 2001 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 13 december 2000, met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 maart 2001.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest het vonnis van de Rechtbank d.d. 13 december 2000 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, te bekrachtigen het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, gewezen op 13 december 2000 onder rolnummer H 98/836, gewezen tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad appellante te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Door [appellant] zijn de volgende grieven opgeworpen:

Grief I: "Ten onrechte heeft de Rechtbank onder punt 3.3. overwogen dat appellant het overzicht van de openstaande facturen onvoldoende heeft bestreden."

Grief II: "Ten onrechte heeft de Rechtbank onder punt 3.3 overwogen appellant niet binnen een redelijke termijn en op gegronde wijze heeft gereclameerd tegen de juistheid van de creditfactuur en of de openstaande posten. Ten onrechte heeft de Rechtbank om deze reden wettelijke rente toewijsbaar geacht."

Grief III: "Ten onrechte heeft de Rechtbank de vordering van de buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van ƒ 900,00 toewijsbaar geacht."

Grief IV: "Ten onrechte heeft de Rechtbank overwogen dat [appellant] in hoofdsom nog een bedrag van ƒ 243,57 aan [geïntimeerde] verschuldigd is."

Grief V: "Ten onrechte heeft de Rechtbank de buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van ƒ 900,00 aan [geïntimeerde] toegewezen."

Grief VI: "Ten onrechte heeft de Rechtbank [appellant] in de proceskosten veroordeeld."

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 en 2.2.) van genoemd vonnis d.d. 13 december 2000 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grieven:

2. Door de inhoud van de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.

3. De rechtbank heeft haar bestreden beslissing gebaseerd op haar oordeel dat [appellant] het bij conclusie van repliek in eerste aanleg geproduceerde overzicht van de openstaande facturen onvoldoende heeft bestreden. De grieven komen daar terecht tegen op. [appellant] heeft immers bij conclusie van dupliek in eerste aanleg gemotiveerd en gespecificeerd aangegeven waarom het bedoelde overzicht geen juist beeld geeft van de problemen die tussen partijen hebben gespeeld. Cruciaal daarbij is dat - zoals tussen partijen vaststaat - [geïntimeerde] eerst op 26 februari 1998 een credit-factuur aan [appellant] heeft gezonden, waarna [appellant] - naar onweersproken is gesteld - aan [geïntimeerde] heeft verzocht om een specificatie van het nog openstaande bedrag . Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] aan dat verzoek heeft voldaan, alvorens tot dagvaarding over te gaan.

4. Weliswaar stelt [geïntimeerde] bij haar "nadere conclusie na dupliek" dat zij [appellant] op 20 november 1997 een brief heeft gestuurd met een voorstel tot creditering, kennelijk met de bedoeling om een einde te maken aan de tot dan toe tussen partijen gerezen geschillen - doch nu [appellant] ontkent die brief te hebben ontvangen kan aan het beweerdelijke feit dat [appellant] niet op die brief heeft gereageerd , geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Daarbij tekent het hof aan dat de inhoud van bedoelde brief zich slecht verdraagt met de inhoud van de brief van 26 november 1997 (productie 2 bij de "nadere conclusie na dupliek" ). In die laatste brief wordt immers wel gerefereerd aan een voorstel om tot afrekening te komen d.d. 3 september 1997, maar niet aan de brief van 20 november 1997.

5. Nu er op het moment van dagvaarding nog steeds geen duidelijkheid was verschaft over hetgeen nog aan te betalen facturen openstond, kan - in het licht van de voordien tussen partijen ontstane discussie en de erkenning van [geïntimeerde] dat [appellant] in ieder geval voor 26 februari 1998 niet in verzuim was (zie het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in appel onder ad.c. gestelde) - niet worden geoordeeld dat [appellant] op dat moment in verzuim was. Het was immers, onder de gegeven omstandigheden , volkomen gerechtvaardigd dat [appellant] alsnog een specificatie van het op dat moment nog openstaande bedrag wenste te ontvangen. [geïntimeerde] is echter - zonder die specificatie te verstrekken - tot dagvaarding overgegaan.

6. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de vordering van [geïntimeerde] terzake van rente en incassokosten deels toegewezen. Ook in appel heeft [geïntimeerde] niet voldoende inzichtelijk kunnen maken dat na de betaling door [appellant] op. 8 september 1998 nog enig bedrag ter betaling resteerde. Waar [geïntimeerde] terzake van de beweerdelijk nog resterende vordering onvoldoende heeft gesteld, dient haar vordering alsnog te worden afgewezen.

Slotsom

7. De grieven treffen doel. Het beroepen vonnis dient te worden vernietigd.

[geïntimeerde] dient, als de in het ongelijk te stellen partij, te worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak in eerste aanleg op f 370,-- aan verschotten en f 1.460,-- aan salaris voor de procureur en in hoger beroep op f 563,58 aan verschotten en f 1.200,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema , voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van Haites-Verbeek als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 19 december 2001.