Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD9024

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00177

19 december 2001

CJIB 26262475

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Sneek

van 14 maart 2001

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 300,-- opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", welke gedraging zou zijn verricht op 14 april 1999 te 08.35 uur op de Rijksweg A7 in de gemeente Sneek met het voertuig met het kenteken[nummer]]

3.2. De verklaring van de verbalisante, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, houdt in, zakelijk weergegeven, dat een voertuig van het merk Opel met kenteken [nummer] op 14 april 1999 te 08.35 op de Rijksweg A7 in de gemeente Sneek een file, welke voor de kruising/afslag stadsrondweg Sneek stond, voor verkeerslichten, rechts over de vluchtstrook voorbijreed.

3.3. De betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht met het voertuig met het kenteken[nummer]] Hij stelt dat vorenbedoeld voertuig ten tijde van de geconstateerde gedraging voor de deur van zijn woning in Harlingen stond. Hiertoe voert de betrokkene aan dat hij op de bewuste dag en het bewuste tijdstip op zijn werk in Harlingen was (bij [werkgever]), dat zijn echtgenote toen eveneens aan het werk was (bij [adres] te Harlingen) - en overigens vanwege rsi-klachten niet in staat was een auto te besturen - en dat zijn zoon toen met een vriend mee was naar een sollicitatiegesprek in Hoogeveen, terwijl er verder niemand in de auto rijdt. Ter staving van zijn stelling heeft de betrokkene een schriftelijke verklaring van [getuige] in het geding gebracht, inhoudende dat deze op 14 april 1999, in het gezelschap van [betrokkene], in zijn eigen auto, een VW Golf, naar Hoogeveen is geweest.

3.4. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien - zoals te dezen is geschied - door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister (o.a. HR 17 oktober 2000, nr. 810-99-V).

3.5. Bij de beoordeling van het door de betrokkene gevoerde verweer neemt het hof het navolgende in overweging.

3.6. De betrokkene is bij tussenbeschikking van de kantonrechter d.d. 24 januari 2001 nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld om door middel van mondelinge of schriftelijke verklaringen aannemelijk te maken, dat de personenauto met voormeld kenteken op voormelde tijd niet op voormelde plaats is geweest. De betrokkene heeft in hoger beroep volstaan met het noemen van de gegevens van de werkgevers van de betrokkene en zijn echtgenote en overigens slechts zijn stelling dat zijn zoon de gedraging niet heeft kunnen hebben verricht met een stuk gestaafd.

3.7. Nu de betrokkene zijn stelling, dat noch hij zelf, noch zijn echtgenote de gedraging kan hebben verricht, niet nader heeft gestaafd door bijvoorbeeld verklaringen van hun werkgevers, daartoe strekkende dat de betrokkene en zijn echtgenote op het tijdstip van de gedraging in Harlingen aanwezig waren, dan wel door een medische verklaring omtrent de ongeschiktheid van betrokkene's echtgenote om een voertuig te besturen, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan, dat de bestreden gedraging is verricht met het motorrijtuig waarvan het kenteken op naam van de betrokkene is gesteld. Daarom zal het hof de bestreden beslissing bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.