Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8935

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:4
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00393

12 december 2001

CJIB 30338319

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Amersfoort

van 5 juli 2001

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 20 september 2000 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzet, omdat het in strijd met het bepaalde in art. 26, derde lid, WAHV bij de kantonrechter te Utrecht ingediende verzetschrift na het verstrijken van de termijn, als bedoeld in art. 26, derde lid, WAHV, bij het kantongerecht te Amersfoort is binnengekomen, terwijl de kantonrechter te Utrecht niet verplicht was tot doorzenden van het ten onrechte bij aldaar ingediende verzetschrift.

3.2. Blijkens de gedingstukken is het dwangbevel op 21 september 2000 aan de betrokkene betekend. Gelet op het bepaalde in art. 26, derde lid, WAHV, diende het verzetschrift derhalve uiterlijk op 5 oktober 2000 door het kantongerecht te Amersfoort te zijn ontvangen. Het verzetschrift is gedateerd 2 oktober 2000 en is op 5 oktober 2000 door het kantongerecht Utrecht ontvangen. De kantonrechter te Utrecht heeft het verzetschrift kennelijk ter verdere behandeling doorgestuurd naar het kantongerecht te Amersfoort, alwaar het op 10 oktober 2000 is ingekomen.

3.3. Ingevolge het bepaalde in art. 1:4, tweede lid, Awb is hoofdstuk 6 van de Awb op een procedure als de onderhavige van toepassing uitgesloten. Dat geldt derhalve ook voor het bepaalde in art. 6:15 Awb, dat een doorzendplicht bevat ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften, ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde (administratieve) rechter en tevens een regeling biedt voor de vraag in welke gevallen het tijdstip van indiening van een dergelijk bezwaar- of beroepschrift bij het onbevoegde orgaan- of de onbevoegde rechter bepalend kan zijn voor het tijdig indienen ervan.

Op de onderhavige procedure (omschreven in hoofdstuk VIII van de WAHV) is evenmin enige andere regeling van procedurele aard van toepassing. Met een en ander is echter niet zonder meer gezegd, dat de betrokkene in zijn verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het enkele feit dat het verzetschrift na de daarvoor gestelde termijn bij het bevoegde kantongerecht is binnen gekomen.

3.4. De wijze waarop de rechtsingang is geregeld in art. 26, derde lid, WAHV, vertoont gelijkenis met de wijze waarop de rechtsingang is geregeld in art. 9, eerste lid, WAHV. Niet valt in te zien, om welke reden een op grond van eerstgenoemd artikel bij een onbevoegd orgaan ingediend verzetschrift niet zou behoren te worden doorgezonden en een op gelijke wijze op grond van art. 9 WAHV ingediend beroepschrift ingevolge het bepaalde in art. 6:15 Awb wel. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van het hof, dat de kantonrechter te Utrecht het ten onrechte door de betrokkene aldaar ingediende verzetschrift inderdaad behoorde door te zenden aan de bevoegde kantonrechter, te weten de kantonrechter te Amersfoort.

3.5. Vervolgens rijst de vraag, of het verzetschrift geacht kan worden tijdig te zijn ingediend. Die vraag beantwoordt het hof uitgaande van het onder 3.4. weergegeven oordeel, dat in het onderhavige geval inderdaad een verplichting tot doorzending in acht moest worden genomen, overeenkomstig het voorschrift van art. 6:15, eerste lid, Awb. Er is vervolgens (ook) aanleiding aansluiting te zoeken bij artikel 6:15, derde lid, Awb. De huidige tekst van dat artikel noemt drie gevallen, waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag, of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend. Binnen afzienbare termijn echter zal het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan in alle gevallen (behoudens het geval waarin sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht) bepalend zijn, gezien de op korte termijn te verwachten invoering van de Eerste Evaluatiewet Awb, die tot een dienovereenkomstige wijziging van artikel 6:15 Awb zal leiden. (Kamerstukken I, 2000-2001, 26523, nr.151). Er bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen dan dat het verzetschrift, dat tijdig bij het kantongerecht te Utrecht is binnengekomen, tijdig is ingediend.

3.6. Het in de uitspraak van de kantonrechter besloten liggende oordeel, dat het verzetschrift tijdig was ingediend, is derhalve juist.

3.7. De betrokkene voert verweer tegen het opleggen van de sanctie.

3.8. Ingevolge artikel 26, derde lid, WAHV kan het verzet tegen een dwangbevel niet gericht zijn tegen de beschikking waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Aan die bepaling ligt het beginsel ten grondslag dat tegen de oplegging van de administratieve sanctie een met waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en dat, ingeval deze rechtsgang niet is gebruikt, de rechter die in de verzetprocedure heeft te oordelen over de gegrondheid van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, ervan kan, en moet uitgaan dat de inleidende beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De aan dit beginsel verbonden bezwaren kunnen evenwel door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval, een uitzondering moet worden aanvaard. Van zodanige uitzondering kan met name sprake zijn wanneer een betrokkene uit verklaringen en gedragingen van de overheid in redelijkheid heeft mogen afleiden dat de bij de inleidende beschikking opgelegde sanctie niet zou worden geëffectueerd. (vgl. HR 13 februari 1996, VR 1996, 228).

3.9. In de onderhavige zaak zijn gedragingen of verklaringen van de overheid in vorenbedoelde zin niet gesteld of gebleken. Ook is er niet sprake van andere bijkomende omstandigheden, waardoor de aan het beginsel verbonden bezwaren dermate klemmend worden, dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval een uitzondering moet worden aanvaard. Daardoor kan het verzet niet gericht zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd.

3.10. De betrokkene stelt tenslotte, dat hij reeds op 10 april 2000 beroep heeft ingesteld bij het kantongerecht te 's-Hertogenbosch tegen de beslissing van de officier van justitie van 28 februari 2000 en dat de procedure nog aanhangig is nu hij op dit beroepschrift tot op heden geen reactie heeft ontvangen. Hij verzoekt daarom de tenuitvoerlegging van het dwangbevel uit te stellen totdat op zijn beroep door de kantonrechter te 's-Hertogenbosch is beslist.

3.11. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Nu het beroepschrift noch door de officier van justitie noch door het kantongerecht is ontvangen en de betrokkene geen kopie ven het beroepschrift heeft overgelegd, is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene tegen bedoelde beslissing van de officier van justitie beroep heeft ingesteld. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de initiële beschikking onherroepelijk is geworden.

3.12. De bestreden beslissing dient derhalve te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Deze beschikking is gegeven door mr Vellinga, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.