Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8861

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00388

5 december 2001

CJIB 022450943

Gerechtshof te Leeuwarden

Tussenbeschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Amsterdam

van 23 maart 2000

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 4 augustus 1999 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 5 september 2001 heeft het hof de betrokkene om nadere financiële informatie verzocht.

Bij faxbericht van 23 september 2001 heeft de betrokkene de nadere financiële informatie verstrekt.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de door de betrokkene verstrekte nadere informatie. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Art. 26a, tweede lid, WAHV luidt - voor zover hier van belang - als volgt: "Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau. De griffier van het kantongerecht wijst de indiener van het beroepschrift op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".

3.2. Het derde lid van voormelde bepaling luidt als volgt: "Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is eveneens een griffierecht verschuldigd. De griffier van het kantongerecht wijst de indiener van het beroepschrift op de

verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het kantongerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".

3.3. Een redelijke uitleg van beide leden van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de griffier van het kantongerecht tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 26a WAHV) zekerheid dient te worden gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten, en dat griffierecht dient te worden betaald. Voorts dient de mededeling in te houden de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld en griffierecht moet worden betaald. Tevens dient voor de betrokkene duidelijk te zijn welke bedragen dienen te worden voldaan en dat, indien deze bedragen niet (tijdig) worden voldaan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. Bij brief van 5 april 2001 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om ''binnen twee weken na heden'' zekerheid te stellen door overmaking van het verschuldigde bedrag en al de kosten ad

ƒ 278,30 op postgirorekening 366794 van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Voorts is aan de betrokkene medegedeeld dat het griffierecht ad ƒ 170,-- dient te zijn betaald binnen twee weken na de op de - ter voldoening van het griffierecht - aan de betrokkene toe te zenden acceptgiro vermelde termijn, door bijschrijving van dit bedrag op de rekening van het arrondissement Amsterdam dan wel door voldoening van dit bedrag ter griffie van het kantongerecht.

3.5. Uit hetgeen onder 3.3. is overwogen volgt dat het schrijven van de griffier van het kantongerecht van 5 april 2001 niet kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV. In de eerste plaats omdat als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, is vermeld "binnen twee weken na heden" in plaats van "binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling". In de tweede plaats omdat als aanvang van de termijn waarbinnen het griffierecht dient te worden betaald, wordt verwezen naar een aan de betrokkene toe te zenden acceptgiro, waarvan zich geen afschrift in het dossier bevindt zodat het hof ervan dient uit te gaan dat deze nimmer is verzonden. Tenslotte is de betrokkene in voornoemd schrijven van 5 april 2001 niet gewezen op het feit dat, indien de zekerheid niet (tijdig) wordt gesteld en/of het griffierecht niet (tijdig) wordt betaald het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.6. Derhalve zal de betrokkene in beginsel opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. Desalniettemin zal daartoe in het onderhavige geval niet worden overgegaan, en wel op de volgende grond.

3.7. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel tijdig gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Vorenoverwogene brengt met zich mee dat in beginsel - dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden die een langere periode kunnen rechtvaardigen - binnen 18 maanden onherroepelijk op het verzet moet zijn beslist. Overschrijding van deze termijn levert een schending op van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur.

3.8. Inmiddels zijn nagenoeg 28 maanden verstreken sinds de betrokkene verzet heeft aangetekend. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit en inadequate activiteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Derhalve is de eerdergenoemde termijn overschreden en brengt het in r.o. 3.7 overwogene mee, dat het verzet alsnog gegrond moet worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter gedane verzet gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene op de voet van art. 26 WAHV betaalde griffierecht door de griffier van het kantongerecht aan hem worden gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk , in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.