Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8854

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00394

5 december 2001

CJIB 27039273

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Arnhem

van 23 februari 2001

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 240,= opgelegd ter zake van "als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 28 mei 1999 op de Rijksweg A12 in de gemeente Arnhem.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht en stelt dat er buiten zijn wil door een ander gebruik is gemaakt van zijn voertuig. Ter onderbouwing van zijn stelling voert de betrokkene aan dat hij ten tijde van de gedraging in het buitenland verbleef en dat hij voor vertrek zijn voertuig afgesloten in de buurt van zijn woning heeft geparkeerd. Vervolgens heeft de betrokkene de sleutels van het voertuig in een bureaulade in zijn woning opgeborgen. Betrokkenes woning bevindt zich in een pand waarin meerdere personen woonachtig zijn. Als bewijsstuk heeft de betrokkene een proces-verbaal van aangifte van joyriding overgelegd. Aldus doet de betrokkene een beroep op het bepaalde in art. 8, aanhef en onder a, WAHV.

3.3. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Administratiefrechtelijke afdoening van inbreuken op bepaalde verkeersvoorschriften (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften), Kamerstukken II, 1987-1988, 20 329, nr. 3, houdt ten aanzien van artikel 8 van die Wet onder meer in:

"In het commissie-voorstel werd gesproken over << een ander die op grond van een schriftelijk aangegane overeenkomst ten tijde van de gedraging feitelijk over het motorrijtuig beschikte>>. De nu voorgestelde tekst is strakker en biedt de kentekenhouder minder mogelijkheden om aan te tonen dat niet hijzelf, maar iemand anders de gedraging heeft verricht. Dit hangt samen met ons uitgangspunt dat de kentekenhouder in beginsel aansprakelijk kan worden gesteld voor hetgeen er met zijn motorrijtuig gebeurt."

3.4. In de Memorie van Antwoord bij het onder 3.3. genoemde wetsvoorstel (Kamerstukken I, 1988-1989, 20 329, nr. 158b) hebben de Ministers van Justitie en Verkeer en Waterstaat de leden van de Eerste Kamer onder meer het volgende medegedeeld:

"Wij wijzen de leden van de fractie van D66 er nog op dat, waar deze risico-aansprakelijkheid tot onredelijke uitkomsten zou leiden, artikel 8 van het wetsvoorstel de kentekenhouder een <<disculpatie-mogelijkheid>> biedt. Het eerste geval betreft het volgende. Wanneer de kentekenhouder aannemelijk kan maken dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijk niet heeft kunnen voorkomen, dient de officier van justitie de beschikking te vernietigen. Het gaat in dit geval om diefstal of joy-riding."

3.5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de betrokkene niet afdoende maatregelen heeft getroffen om gebruik van zijn voertuig te voorkomen, nu het ervoor moet worden gehouden dat de betrokkene zijn autosleutels op een vindbare plaats onbeheerd in zijn kamer heeft achtergelaten bij zijn medebewoners.

3.6. Niet bestreden is betrokkenes stelling dat een ander tegen zijn wil gebruik van het voertuig heeft gemaakt. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, in aanmerking genomen dat de bestuurder van betrokkenes voertuig ten tijde van de gedraging de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verworven door het huisrecht van de betrokkene te schenden. Dat de betrokkene zijn kamer niet zou hebben afgesloten doet daar in de omstandigheden van het geval niet aan af.

3.7. Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen en het beroep van de betrokkene - met vernietiging van de inleidende beschikking - alsnog gegrond verklaren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 15 maart 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 27039273 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van fl 240,= , door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, als voorzitter, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.