Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8838

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00041

5 december 2001

CJIB 23961302

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Groningen

van 1 mei 2000

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 15 september 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Het hof heeft in een aantal zaken geconstateerd dat de mededeling van de griffier van het kantongerecht omtrent de verplichting tot zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en van het verschuldigd zijn van een griffierecht in hoger beroep niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Daarom overweegt het hof het volgende.

3.2. Art. 26a, tweede lid, WAHV luidt als volgt: Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten. De zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau. De griffier van het kantongerecht wijst de indiener van het beroepschrift op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling. Indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.3. Het derde lid van voormelde bepaling luidt als volgt: Degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, is eveneens een griffierecht verschuldigd. De griffier van het kantongerecht wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het kantongerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het griffierecht niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. Een redelijke uitleg van beide leden van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededelingen van de griffier van het kantongerecht tenminste moeten inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 26a WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en voor al de kosten, en dat griffierecht dient te worden betaald. Voorts dienen de mededelingen in te houden de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld en griffierecht moet worden betaald. Tevens dient voor de betrokkene duidelijk te zijn welke bedragen dienen te worden voldaan en dat indien deze bedragen niet worden betaald het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5. Bij brief van 11 oktober 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dagtekening van dat schrijven zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag ad fl 614,20 op rekeningnummer 347609 van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is aan de betrokkene medegedeeld dat het griffierecht ten bedrage van fl 170,- binnen twee weken na de dagtekening van voormeld schrijven dient te zijn voldaan door bijschrijving op het bankrekeningnummer van het arrondissement Groningen dan wel door betaling ter griffie. Tenslotte is aan de betrokkene medegedeeld dat het niet - tijdig - voldoen aan het voorgaande tot gevolg kan hebben dat het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaart in het beroep.

3.6. Uit het in 3.2. en 3.3. overwogene volgt dat het schrijven van de griffier van het kantongerecht van 11 oktober 2000 niet kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 26a, tweede en derde lid, WAHV. Ten eerste omdat als aanvang van de termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld en griffierecht moet worden betaald de dagtekening van de brief is vermeld in plaats van de datum van verzending. Ten tweede is het rekeningnummer van het CJIB niet correct vermeld, nu zekerheidstelling in zaken als de onderhavige dient te worden bijgeschreven op rekeningnummer 366794. Ten derde is het bedrag van de zekerheidstelling onjuist vermeld, nu uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de betrokkene een bedrag van fl 481,88 dient te voldoen. Tenslotte dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

3.7. Het voorgaande brengt mee dat de griffier van het kantongerecht de betrokkene nogmaals, met inachtneming van het hiervoor overwogene, in de gelegenheid zou dienen te stellen zekerheid te stellen en griffierecht te betalen.

3.8. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel tijdig gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Vorenoverwogene brengt met zich mee dat in beginsel - dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden die een langere periode kunnen rechtvaardigen - binnen 18 maanden onherroepelijk op het verzet moet zijn beslist. Overschrijding van deze termijn levert een schending op van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou komen met beginselen van behoorlijk bestuur.

3.9. Inmiddels zijn ruim 24 maanden verstreken sinds de betrokkene verzet heeft aangetekend. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Derhalve is de eerdergenoemde termijn overschreden en brengt het in r.o. 3.8. overwogene mee, dat het verzet alsnog gegrond moet worden verklaard. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof aanleiding het beroep niet ter zitting te behandelen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter gedane verzet gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene in verzet betaalde griffierecht ad fl 42,50 door de griffier van het kantongerecht aan hem wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.