Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8834

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00464
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00464

5 december 2001

CJIB 25632841

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Hilversum

van 6 oktober 2000

betreffende

[betrokkene]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 29 september 1999 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Bij brief van 9 februari 2001 heeft de advocaat-generaal aan het hof medegedeeld, dat hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt. Eveneens bij brief van 9 februari 2001 heeft de griffier van het hof aan de betrokkene medegedeeld, dat de advocaat-generaal geen reactie heeft gegeven op de nadere toelichting op het beroep en dat het hof op de voorliggende stukken uitspraak zal doen.

Op 14 maart 2001 is bij het hof een brief van de betrokkene ingekomen, waarin zij verzoekt hetgeen zij in die brief schrijft toe te voegen aan haar nadere toelichting op het beroep d.d. 31 januari 2001.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

Bij brief van 31 oktober 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. De betrokkene heeft geen zekerheid gesteld.

3.2. De griffier van het kantongerecht heeft in zijn brief van 31 oktober 2000 niet op de juiste wijze melding gemaakt van de termijn waarbinnen zekerheid moet worden gesteld en evenmin het juiste bedrag aangegeven waarvoor zekerheid dient te worden gesteld. Derhalve zal de betrokkene in beginsel opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld zekerheid te stellen. Desalniettemin zal daartoe in het onderhavige geval niet worden overgegaan, en wel op de volgende gronden.

3.3. De kantonrechter heeft de betrokkene in haar verzet niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzet - zoals de kantonrechter met juistheid overweegt - niet tijdig was gedaan.

3.4. In het beroepschrift stelt de betrokkene, dat zij zich niet kan voorstellen dat zij de termijn voor het instellen van het verzet tegen het dwangbevel heeft overschreden omdat zij zich steeds heeft laten voorlichten door de medewerkers van de griffie van het kantongerecht te Hilversum en zich heeft gericht naar de voorlichting gegeven op de door haar ontvangen bescheiden. Deze niet nader gespecificeerde omstandigheid is niet een bijzondere omstandigheid van zo klemmende aard dat - hoewel art. 6:11 Awb in de onderhavige procedure niet van toepassing is - niet-ontvankelijkverklaring achterwege had moeten blijven.

3.5. Hetgeen de betrokkene overigens aanvoert strekt er toe de juistheid aan te vechten van de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Tegen die beslissing kan, zoals art. 26, tweede lid, WAHV bepaalt, het verzet echter niet gericht zijn.

3.6. Nu uit het vorenoverwogene voortvloeit, dat ook indien de betrokkene in haar beroep wordt ontvangen de beslissing van de kantonrechter slechts kan worden bevestigd, wordt de betrokkene niet in haar belangen geschaad door haar niet opnieuw de gelegenheid te geven zekerheid te stellen.

3.7. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.8. De brief van de betrokkene, bij het hof binnengekomen op 14 maart 2001, is binnengekomen ruim nadat de schriftelijke fase van de procedure was afgesloten. Daarom kan het hof op de inhoud van die brief geen acht slaan. Ook al

zou dit anders zijn, dan doet dit niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Hetgeen de betrokkene in die brief aanvoert strekt er immers toe de juistheid aan te vechten van de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.