Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8705

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Wetboek van Strafvordering 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00407

21 november 2001

CJIB 26527936

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Breda

van 19 juli 2000

betreffende

J[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift is verzocht om een kostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 240,- opgelegd ter zake van "als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 15 april 1999 op de Rijksweg A-58-Rijksweg A-16 verbindingsweg in de gemeente Breda.

3.2. De betrokkene voert aan, dat noch door de officier van justitie, noch door de verbalisant de cautie is gegeven, terwijl dit op grond van internationaal recht naar zijn zeggen wel zou moeten.

3.3. Het hof overweegt hieromtrent, dat de verbalisant niet gehouden was om te wijzen op het zwijgrecht van de betrokkene. De Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften kent niet een met art. 29 van het Wetboek van Strafvordering(Sv) overeenkomende bepaling, terwijl art. 29 Sv ingevolge het bepaalde in de laatste volzin van art. 2, eerste lid, WAHV hier toepassing mist. Ook op grond van het internationaal recht bestaat geen verplichting te wijzen op een zwijgrecht.

3.4. De betrokkene voert voorts aan, dat hij betwijfelt of de verbalisanten voordat zij met de controle begonnen aan de hand van hectometerpaaltjes vrij nauwkeurig hebben vastgesteld vanaf welke plaats het verdrijvingsvlak de volle breedte had, dat het zeer ongebruikelijk en onprofessioneel is om als gekwalificeerde verkeersspecialisten met videoapparatuur een specifieke verkeerscontrole te houden, terwijl de verbalisanten zich zodanig hebben opgesteld dat er geen zicht is op het weggedeelte waar gecontroleerd wordt, dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het gegeven dat de rijstrook met de daarnaast gelegen vluchtstrook samen ongeveer 6.50 meter breed zijn en dat twee personenauto's samen ongeveer 3.30 meter breed zijn, waardoor de betrokkene naast een andere auto heeft kunnen rijden zonder gebruik te hebben hoeven maken van het verdrijvingsvlak, dat het enige technische bewijs, te weten videobeelden waarop te zien was dat de betrokkene zich uiterst rechts op de weg bevond, vernietigd is.

3.5. Nu het surveillancerapport inhoudt, zakelijk weergegeven, dat de betrokkene bij de staandehouding heeft verklaard dat hij gedeeltelijk het verdrijvingsvlak heeft gebruikt en dit ook overeenkomt met hetgeen hij in zijn beroepschrift bij de officier van justitie aanvoert, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Hetgeen de betrokkene aanvoert met betrekking tot de wijze van waarneming door de verbalisanten en de mogelijkheid dat het voertuig van de betrokkene naast een ander voertuig heeft kunnen rijden zonder dat gebruik gemaakt hoefde te worden van het verdrijvingsvlak kan hieraan niet afdoen, omdat de betrokkene zowel bij staandehouding als in zijn beroepschrift bij de officier van justitie in essentie de waarneming van de verbalisanten bevestigt. Het feit dat de betrokkene niet het gehele verdrijvingsvlak heeft gebruikt kan ook niet tot een ander oordeel leiden, omdat ook het gedeeltelijk gebruiken van het verdrijvingsvlak al voormelde gedraging oplevert.

3.6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.7. Nu de betrokkene in het ongelijk is gesteld, zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst af het verzoek om een kostenvergoeding.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.