Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8684

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00269

14 november 2001

CJIB 31397618

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Groningen

van 7 augustus 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het in art. 6, eerste lid, WAHV en de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde, dient het beroep bij de officier van justitie tegen de oplegging van de administratieve sanctie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de inleidende beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. Het beroepschrift is gedateerd 22 maart 2000 en blijkens een daarop gesteld stempel op 23 maart 2000 bij het openbaar ministerie te Groningen ingekomen. Aangezien de inleidende beschikking op 3 februari 2000 aan de betrokkene is toegezonden is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

3.3. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. De betrokkene stelt dat hij de inleidende beschikking nooit heeft ontvangen. Daartoe voert hij aan dat hij in januari 2000 naar het adres [adres] is verhuisd en dat hij rond 20 januari 2000 de afdeling bevolking van de gemeente Groningen van dat feit in kennis heeft gesteld. Voorts heeft hij van zijn ouders (die kennelijk woonachtig zijn op het adres [adres], naar welk adres de inleidende beschikking is gezonden) niet vernomen dat er post voor hem was ontvangen.

3.5. De inleidende beschikking is op 3 februari 2000 verzonden naar het adres [adres] en is niet onnestelbaar retour gekomen. Dit adres is blijkens de door de Advocaat-Generaal overgelegde kopie van een "Aankondiging van Beschikking (Wet Mulder)" door de betrokkene opgegeven, toen hij werd staande gehouden ter zake van de onderhavige gedraging.

3.6. Een betrokkene, die is staande gehouden naar aanleiding van het verrichten van een gedraging als bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV en die ter gelegenheid daarvan aan een in art. 3, eerste lid, WAHV bedoelde ambtenaar zijn adres opgeeft, moet er gezien het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV van uitgaan, dat - indien hem een aankondiging van een beschikking wordt uitgereikt - de beschikking wordt gezonden naar het door hem opgegeven adres. Daarom mag van hem worden verlangd dat hij teneinde tijdig van die beschikking in beroep te kunnen komen terstond van een wijziging van het door hem opgegeven adres kennis geeft aan het bestuursorgaan, dat hem bedoelde aankondiging van de beschikking heeft gedaan. Als zodanige kennisgeving kan niet worden aangemerkt opgave van de adreswijziging aan de afdeling bevolking van de gemeente waar de betrokkene ten tijde van de gedraging stond ingeschreven. Ziet de betrokkene af van bedoelde kennisgeving, dan komt de omstandigheid dat hij daardoor niet tijdig in beroep heeft kunnen komen van de inleidende beschikking voor zijn rekening. Dat laatste kan uitzondering lijden wanneer er voor het bestuursorgaan aanleiding bestaat om bij de gemeentelijke basisadministratie opgave te vragen van het aldaar ingeschreven adres en die opgave inhoudt dat het geldende adres een ander is dan het aan het bestuursorgaan bekende adres en van het bestuursorgaan mag worden verwacht dat het de inleidende beschikking met het oog op de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene zendt naar het in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adres.

3.7. Uit de zich in de onderhavige zaak bevindende stukken kan niet blijken dat de betrokkene op enige wijze aan de politie te Groningen mededeling heeft gedaan van enige adreswijziging. Evenmin blijkt dat er anderszins voor het

bestuursorgaan aanleiding bestond om bij de gemeentelijke basisadministratie opgave te vragen van het aldaar ingeschreven adres.

3.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat de overschrijding van de termijn voor beroep tegen de inleidende beschikking bij de officier van justitie niet verschoonbaar is. De officier van justitie heeft de betrokkene derhalve terecht niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Een en ander brengt mee dat de kantonrechter - zij het op onjuiste gronden - het beroep van de betrokkene terecht ongegrond heeft verklaard. Daarom kan de bestreden beschikking worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.