Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8589

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00/00456A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00456

14 november 2001

CJIB 32915337

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Eindhoven

van 14 november 2000

betreffende

[betrokkene]: betrokkene),

gevestigd te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij arrest van 29 augustus 2001 heeft het hof de advocaat-generaal opgedragen een door een beëdigd vertaler te vervaardigen schriftelijke weergave van de korte inhoud van het verweerschrift in het geding te brengen.

Bij brief van 20 september 2001 heeft de advocaat-generaal een verkorte, in de Duitse taal gestelde, weergave van de korte inhoud van het verweerschrift in het geding gebracht.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld hierop een reactie te geven. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden accept-giro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem meedeelt dat de zekerheid dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich de, in de Duitse taal gestelde, mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 13 juli 2000 en een brief van 15 augustus 2000 van de officier van justitie aan de betrokkene. In beide brieven is vermeld dat de betrokkene binnen dertig dagen na de dagtekening van de brief zekerheid dient te stellen.

3.4. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd en dat de zaak naar het kantongerecht moet worden teruggewezen. Daartoe voert de advocaat-generaal het volgende aan. In de mededelingen van de officier van justitie van 13 juli 2000 en 15 augustus 2000 omtrent de verplichting tot zekerheidstelling is als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid moet worden gesteld de dagtekening vermeld in plaats van de verzenddatum. Een redelijke uitleg van art. 11 WAHV brengt met zich mee dat de brieven daarom niet kunnen worden aangemerkt als een mededeling in de zin van voormelde wetsbepaling. Dat brengt met zich mee dat het in de beslissing van de kantonrechter liggend oordeel dat voldaan is aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en dat het beroep ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk is verklaard.

3.6. Nu aan de betrokkene een langere termijn, waarbinnen zekerheid moet worden gesteld, is gegeven dan de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de mededeling van de officier van justitie omtrent zekerheidstelling en niet aannemelijk is dat tussen de dag van dagtekening en de dag van verzending meer dan enkele dagen verstrijken, is de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang geschaad door de omstandigheid dat in de mededelingen de dag van dagtekening in plaats van de dag van verzending ervan als uitgangspunt is genomen voor de bij de betaling van zekerheid in acht te nemen termijn. Dit geldt te meer nu de betrokkene in het geheel geen zekerheid heeft gesteld en niet klaagt dat de hem gegunde termijn te kort was. De kantonrechter heeft derhalve terecht het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.