Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8582

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00048
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00048

14 november 2001

CJIB 26872880

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Alkmaar

van 2 november 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar vernietigd en het beroep overigens ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,- opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 KG of minder is geen keuringsbewijs afgegeven", welke gedraging zou zijn verricht op 7 april 1999 in de gemeente [woonplaats]. De gedraging betreft het voertuig met het kenteken [kenteken]

3.2. Niet in geschil is dat dit voertuig ten tijde van de gedraging niet gekeurd was, dat het voertuig met voormeld kenteken in het kentekenregister op naam van de betrokkene is ingeschreven en dat het kenteken ten tijde van de gedraging niet was geschorst.

3.3. De betrokkene voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij tezamen met [persoon] een maatschap vormt, dat aan [persoon] een erkenning als bedoeld in art. 62 WVW 1994 is verleend, dat voormeld voertuig tot de bedrijfsvoorraad van de maatschap behoorde en dat het betrokken voertuig ten tijde van de gedraging derhalve niet gekeurd hoefde te zijn.

3.4. Dit betoog gaat reeds daarom niet op, omdat het kenteken van het onderhavige voertuig ten name van de betrokkene was gesteld en het voertuig derhalve niet met inachtneming van het bepaalde in art. 27 Kentekenreglement in de bedrijfsvoorraad was opgenomen.

3.5. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de betrokkene ter zitting van de kantonrechter het aanbod heeft gedaan door middel van de getuige [persoon] te bewijzen dat de onderhavige auto onder de handelsvoorraad viel van de garage-maatschap en dat deze auto onder de vrijstelling handelsvoorraad valt. De kantonrechter heeft ten onrechte dit bewijsaanbod gepasseerd. Om deze reden kan de beslissing van de kantonrechter - aldus de betrokkene - niet in stand blijven.

3.6. Gelet op hetgeen het hof in 3.4. heeft overwogen, kan het bewijsaanbod niet afdoen aan de uit 3.4. voortvloeiende vaststelling dat de gedraging is verricht. Onder deze omstandigheid heeft de kantonrechter het bewijsaanbod van de betrokkene kunnen passeren.

3.7. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de termijn van twee weken voor het indienen van een reactie op het verweerschrift te kort is, waardoor de betrokkene in zijn verdediging is geschaad.

3.8. Ingevolge art. 19, derde lid, WAHV kan degene die hoger beroep heeft ingesteld binnen twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift is verzonden schriftelijk een nadere toelichting geven op zijn beroep.

3.9. In het algemeen moet deze termijn toereikend worden geacht om adequaat op het verweerschrift te kunnen reageren. In bijzondere omstandigheden zou dat anders kunnen zijn. Daarvan is in casu niet gebleken. Daar komt nog bij dat de gemachtigde van de betrokkene binnen enige dagen na de ontvangst van het afschrift van het verweerschrift uitgebreid heeft gereageerd op het verweerschrift.

3.10. De betrokkene is van mening dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding voor proceskosten heeft toegekend, nu de beslissing van de officier van justitie is vernietigd.

3.11. Ingevolge art. 13a WAHV is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het kantongerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. Volgens het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 maart 2000, nr. 76-99-V, dient bij de toepassing van deze bepaling uitgangspunt te zijn dat in geval van gegrondverklaring van het beroep van de betrokkene de kantonrechter de officier van justitie veroordeelt in de daarvoor ingevolge het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten. Indien de kantonrechter in een zodanig geval geen aanleiding vindt tot een dergelijke kostenveroordeling, zal hij die beslissing met redenen dienen te omkleden.

3.12. In aanmerking genomen dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd louter op een een formeel gebrek en dat de kantonrechter het beroep voor het overige ongegrond heeft verklaard, is er geen aanleiding een veroordeling tot kostenvergoeding voor de procedure bij de kantonrechter uit te spreken.

3.13. Tenslotte voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat de pleegplaats van de gedraging niet juist is. Gelet op de aard van de gedraging is niet van belang waar het betrokken voertuig zich ten tijde van de gedraging bevond. Derhalve treft deze grief geen doel.

3.14. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

3.15. Nu de betrokkene in het ongelijk is gesteld, zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

3.16. Tenslotte overweegt het hof dat noch in de beroepsprocedure bij de kantonrechter noch in de hoger beroepsprocedure bij het hof een eis tot reconventie kan worden ingediend.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.