Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8543

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00084
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00084

14 november 2001

CJIB 22260033

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Lelystad

van 31 januari 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 17 februari 1999 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt

3. Beoordeling

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de aan het hof toegezonden stukken. Het dwangbevel is op 22 februari 1999 aan de betrokkene betekend. Het verzetschrift van de betrokkene is d.d. 22 februari 1999 aan het CJIB gezonden. Uit de stukken blijkt niet op welke datum het verzetschrift door het kantongerecht is ontvangen. Op 15 september 1999 is aan de betrokkene een acceptgiro gezonden ter betaling van het griffierecht. De betrokkene heeft het griffierecht op 29 september 1999 betaald. Ter zitting van 16 december 1999 heeft de kantonrechter het verzet behandeld. Op 31 januari 2000 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. De bestreden beschikking is op 7 februari 2000 toegezonden aan de betrokkene, die op 18 februari 2000 hoger beroep heeft ingesteld. Naar aanleiding van een daartoe strekkende mededeling van de griffier van het kantongerecht van 8 juni 2000 heeft de betrokkene zekerheid gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en al de kosten. De stukken van het geding zijn op 20 februari 2001 ter griffie van het hof ontvangen. Aangezien uit de stukken niet bleek dat de in de mededeling van de griffier van het kantongerecht d.d. 8 juni 2000 genoemde acceptgiro ter betaling van het griffierecht was verzonden, heeft de griffier van het hof de griffier van het kantongerecht verzocht de betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen. Blijkens een memo van de griffier van het hof heeft de griffier van het kantongerecht op 26 juni 2001 een acceptgiro aan de betrokkene gezonden ter betaling van het griffierecht. Aangezien van deze acceptgiro en een eventueel begeleidend schrijven zich geen afschriften bij de stukken bevinden, is niet na te gaan of aldus aan de betrokkene mededeling is gedaan overeenkomstig het in art. 26a, derde lid, WAHV bepaalde. De betrokkene had op 30 juli 2001 het griffierecht niet betaald.

3.2. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht. Gelet op het ontbreken van een afschrift van de mededeling van de griffier van het kantongerecht van 26 juni 2001 houdt het hof het ervoor dat de betrokkene niet overeenkomstig het bepaalde in art. 26a, derde lid, WAHV is gewezen op de verplichting griffierecht te betalen. Derhalve zal de betrokkene in beginsel opnieuw in de gelegenheid moeten worden gesteld griffierecht te betalen. Daartoe zal in het onderhavige geval echter niet worden overgegaan, en wel op de volgende gronden.

3.3. De aard van de onderhavige verzetprocedure brengt mee, zoals ook volgt uit de verschillende in de artikelen 26 en 26a WAHV met het oog daarop gegeven voorschriften, dat op het tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel gedane verzet op korte termijn wordt beslist. Uit het hiervoor onder 3.1. weergegeven verloop van de procedure blijkt dat inmiddels ruim twee jaar en acht maanden zijn verstreken sedert de betrokkene verzet heeft gedaan. Dit door verschillende lange perioden van inactiviteit veroorzaakte tijdsverloop moet, nu daarvoor in de stukken geen rechtvaardiging kan worden gevonden, in strijd worden geacht met beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit brengt mee dat een verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd komt met beginselen van behoorlijk bestuur. Derhalve moet het verzet alsnog gegrond worden verklaard.

3.4. De omstandigheid dat de betrokkene geen griffierecht heeft betaald voor de procedure bij het hof, maakt dit oordeel niet anders. Immers, indien de betrokkene het griffierecht zou hebben betaald, zou het hof op de in r.o. 3.3. genoemde gronden eveneens het verzet gegrond hebben verklaard. Daarbij zou het hof - gelet op het aan het bepaalde in art. 26, zevende lid, WAHV ten grondslag liggende beginsel - hebben bepaald dat het griffierecht voor de procedure bij het hof aan de betrokkene diende te worden vergoed.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter gedane verzet gegrond;

vernietigt het door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 17 februari 1999 uitgevaardigde dwangbevel;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op voet van art. 26a WAHV tot zekerheid is betaald door de advocaat-generaal aan deze dient te worden gerestitueerd, alsmede dat het door deze op de voet van art. 26 WAHV betaalde griffierecht door de griffier van het kantongerecht aan hem wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.