Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8537

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
04-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00362
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00362

14 november 2001

CJIB 29800465

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 5 oktober 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, WAHV. In het onderhavige geval is de betrokkene door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep omdat het niet tijdig zou zijn ingesteld, terwijl de hoogte van de sanctie ƒ 120,-- bedraagt. In een zodanig geval biedt de WAHV niet de mogelijkheid hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen.

3.2. In zijn beroepschrift klaagt de betrokkene erover - zakelijk weergegeven - dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld, dat hij te laat beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement [woonplaats]

3.3. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (vervanging in Mulder-zaken van beroep in cassatie door hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden), houdt met betrekking tot de in het tweede lid van artikel 14 WAHV opgenomen beroepsgrond onder meer het

volgende in: "Indien inderdaad bij vergissing is aangenomen dat de zekerheid niet tijdig is gesteld of de kantonrechter de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken, zou de betrokkene in een geval waarin de sanctie niet meer bedraagt dan fl. 150,00 geconfronteerd worden met een niet-ontvankelijkverklaring waartegen geen enkel rechtsmiddel openstaat. Het beroep van de betrokkene is dan inhoudelijk niet beoordeeld door een rechter en in die zin is de betrokkene dan ten onrechte het recht op toegang tot de rechter onthouden. (...) Hoewel de ervaring heeft geleerd dat het om een beperkt aantal gevallen gaat, moet daarvoor gelet op het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter een voorziening worden getroffen." (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 927, nummer 3, paragraaf 2.3.).

3.4. Wanneer de kantonrechter bij vergissing zou hebben aangenomen dat het beroep niet tijdig is ingesteld of de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken, kan zich eveneens de situatie voordoen dat het beroep van de betrokkene ten onrechte niet inhoudelijk door een rechter is beoordeeld. Het hof is van oordeel, hoewel de WAHV in dit geval niet voorziet in hoger beroep, dat het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter met zich medebrengt dat de betrokkene, die erover klaagt dat hij door de kantonrechter ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn beroep is verklaard wegens termijnoverschrijding, in hoger beroep dient te worden ontvangen.

3.5. Ingevolge het in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt artikel 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.6. Blijkens het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht van het CJIB d.d. 17 juni 2000 is de datum van dagtekening van de beslissing van de officier van justitie, 18 februari 2000. Bij brief van 8 juni 2000, binnengekomen bij het arrondissementsparket te Amsterdam op 13 juni 2000, heeft de betrokkene - voor zover hier van belang - medegedeeld, dat hij nog geen beslissing van de officier van justitie had ontvangen. Deze brief is door voornoemd arrondissementsparket kennelijk aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie van 18 februari 2000 en is vervolgens doorgezonden naar het kantongerecht te [woonplaats] Op 5 oktober 2000 heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep wegens termijnoverschrijding.

3.7. Het hof stelt vast, dat de hiervoor onder 3.6. weergegeven beslissing van de officier van justitie zich niet in het dossier bevindt. Nu voorts de stukken van het geding niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat voornoemde beslissing de betrokkene desalniettemin is toegezonden, houdt het hof het er voor, dat dit niet is geschied. Vorenoverwogene brengt - gelet op hetgeen onder 3.5. is overwogen - met zich mee, dat in de onderhavige zaak de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie van 18 februari 2000, op 13 juni 2000, de dag waarop de - ten onrechte - als beroepschrift opgevatte brief van de betrokkene bij het arrondissementsparket te Amsterdam is binnengekomen, nog niet een aanvang had genomen.

3.8. Uit het voorgaande vloeit voort, dat de kantonrechter de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn beroep heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. In beginsel zou het hof de zaak dan ook moeten terugwijzen naar het kantongerecht.

3.9. In aanmerking genomen dat de inleidende beschikking in deze zaak is verzonden op 11 november 1999 en sindsdien een periode van twee jaren is verstreken, welke vertraging in zijn geheel te wijten is aan het optreden van justitie, en gelet op de tijd die met de behandeling van de zaak na terugwijzing zal zijn gemoeid, valt redelijkerwijs niet te verwachten dat de zaak zal kunnen worden berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarom zal het hof de zaak niet terugwijzen, maar zelf afdoen.

4. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 18 februari 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr 29800465 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

ƒ 120,--, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Jongeling als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.