Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8527

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
04-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00-00453
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00453

27 november 2001

CJIB 28046077

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Oud-Beijerland

van 28 september 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [adres]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 augustus 2001 is dezerzijds aan de advocaat-generaal een aantal vragen gesteld.

Daarop is door de advocaat-generaal gereageerd bij brief van 25 september 2001.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 november 2001. De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.G. Brontsema.

De voorzitter heeft de zaak nadien ter verdere afdoening verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 350.-- opgelegd ter zake van "met voertuig rijden terwijl de bedrijfsrem niet op alle wielen remt/ voertuig uitbreekt ten gevolge van verschil in remwerking/overberemming", welke gedraging zou zijn verricht op 2 juli 1999 op de Rijksweg 29 in de gemeente Cromstrijen.

3.2. De omschrijving van de gedraging valt -gezien de inleidende beschikking en de daarin genoemde feitcode N 380m waarop zij is gebaseerd- in twee delen uiteen. De advocaat-generaal heeft ter zitting gesteld, dat de aan de betrokkene verweten gedraging beperkt is tot "met voertuig rijden terwijl de bedrijfsrem niet op alle wielen remt". Het hof zal daarvan in het hiernavolgende uitgaan. De betrokkene wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.

3.3. Art. 5.12.38., vierde lid, van het Voertuigreglement, waarop de gedraging is gebaseerd, luidt als volgt: "De bedrijfsrem moet op alle wielen werken".

3.4. Uit een proces-verbaal van 19 oktober 1999, op ambtsbelofte opgemaakt door de hoofdagent van politie M. van Voorst, in samenhang met de inhoud van het zaakoverzicht en de inhoud van een ambtsbericht van R. Amesz, brigadier van het Korps landelijke politiediensten van 20 september 2001, blijkt het volgende. Op 2 juli 1999 is onderzoek gedaan naar het functioneren van de bedrijfsrem (de oplooprem) van de aanhangwagen, die bevestigd was aan het motorvoertuig van de betrokkene. Een oplooprem als hier bedoeld treedt in werking door middel van een schuifstuk, dat wordt ingedrukt zodra het trekkende voertuig remt, namelijk door de massa (het opduwen) van de aanhangwagen. Het onderzoek als hier van belang bestond daaruit, dat met behulp van een spanband het schuifstuk van de oplooprem werd ingedrukt. Tijdens dit onderzoek bleek, dat het linkerwiel van de aanhangwagen niet remde en het rechterwiel wel. Uit het zaakoverzicht blijkt, dat het een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg betrof.

3.5. De betrokkene stelt in hoofdzaak, dat het veermechanisme (het schuifstuk) van de oplooprem bij voormeld onderzoek werd ingedrukt met een onbekende kracht. Bovendien kon bij het onderzoek geen geschikt vast punt in de lengterichting van de oplooprem worden gevonden om de spanband aan te bevestigen. De spanband werd vervolgens bevestigd aan de boegsteun, waardoor de spanband een hoek van ongeveer 45 graden maakte met de lengteas van de aanhangwagen. Daardoor kon -aldus de betrokkene- met behulp van de spanband minder kracht worden uitgeoefend dan bij bevestiging in de lengterichting het geval zou zijn geweest. Zodoende kon niet worden vastgesteld, dat de oplooprem niet werkte. De betrokkene heeft voorts verwezen naar de inhoud van een aan hem gerichte brief van de ANWB (geschreven nadat de betrokkene om commentaar op de gevolgde wijze van eerder gemeld onderzoek had verzocht). In die brief wordt -zakelijk weergegeven- gesteld, dat, zolang niet bekend is met welke kracht het schuifstuk van de oplooprem werd ingedrukt, niet kan worden geconcludeerd dat de reminstallatie niet aan de wettelijke eisen voldeed. Het bestaan van een verschil in remwerking tussen beide wielen is daartoe niet toereikend: een dergelijk verschil mag wel 30% bedragen.

3.6. Het eerder onder 3.4. genoemde ambtsbericht van R. Amesz, brigadier van het Korps landelijke politiediensten van 20 september 2001 bevat voorts onder andere het navolgende.

"Om een remming na te bootsen wordt met behulp van een zogenaamde spanband het schuifstuk van de oplooprem ingedrukt. Door het spanmechanisme aan te halen tot de maximaal haalbare kracht wordt het schuifstuk ingedrukt en moeten de remmen in werking treden. De kracht waarmee dit gebeurt is door ons in het verleden gemeten op ongeveer 300 kg (ongeveer 3000 N). (...) De ANWB stelt terecht dat veelal de wielen niet tegelijkertijd worden beremd. In de remkabel is een zogenaamde evenaar opgenomen welke er voor moet zorgen dat het verschil in remkracht tussen de wielen niet te groot wordt. Dit verschil mag echter nooit zo groot zijn, (dat) met een kracht van ongeveer 300 kg één of meerdere wielen nog niet worden geremd. (...) Ik ben niet bij deze controle aanwezig geweest en kan dan ook niets zeggen over de manier waarop deze specifieke controle heeft plaats gevonden."

3.7. Het onder 3.4. genoemde proces-verbaal van M. van Voorst, hoofdagent van politie, van 19 oktober 1999 -opgemaakt naar aanleiding van het op 2 juli 1999 in deze zaak uitgevoerde onderzoek- bevat onder meer de navolgende passage: "Het veermechanisme van de koppeling is inderdaad met onbekende kracht ingedrukt tijdens de uitgevoerde test".

3.8. Zoals blijkt uit het onder 3.4 overwogene heeft het onderzoek, dat op 2 juli 1999 ten aanzien van het functioneren van de oplooprem van de aanhangwagen van de betrokkene is verricht, uitgewezen dat er een verschil bestond in remwerking tussen de beide wielen. Gezien de inhoud van het eerdergenoemde proces-verbaal van de hoofdagent M. van Voorst van 19 oktober 1999 is met deze vaststelling volstaan om die reden, dat het feit dat de rem niet gelijktijdig even krachtig werkt op beide wielen kan betekenen, dat de aanhangwagen scheef trekt bij het remmen. De verbalisant had daarbij het oog op het tweede gedeelte van de omschrijving van feitcode N 380m, zoals onder 3.1 omschreven. De enkele vaststelling echter, dat er een verschil bestaat in remwerking tussen beide wielen brengt niet met zich mee, dat de (bedrijfs)rem niet op alle (beide) wielen remt, zoals omschreven in het eerste gedeelte van feitcode N 380m, waartoe de advocaat-generaal het aan de betrokkene te maken verwijt beperkt acht. Dat is met name niet het geval, omdat niet is vastgesteld, dat bij het onderzoek een zodanige kracht is toegepast, dat daardoor noodzakelijkerwijs beide wielen van de aanhangwagen zouden moeten worden beremd. Uit het onder 3.6 geciteerde gedeelte van het daar bedoelde ambtsbericht valt met name niet af te leiden, dat bij het onderhavige onderzoek door middel van een spanband een kracht (volgens verbalisanten van naar schatting 3000 N) is toegepast, die een voldoende en betrouwbaar uitsluitsel zou geven omtrent het resultaat ervan, te weten dat de bedrijfsrem niet werkt op alle wielen. Het onder 3.7 weergegeven deel van het daar genoemde proces-verbaal vormt daartoe evenmin een aanwijzing, nog daargelaten de niet betwiste stelling van de betrokkene, dat bij het onderzoek de spanband onder een hoek van 45 graden werd aangespannen, met een (aanzienlijke) vermindering van de effectieve kracht tot gevolg.

3.9. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet komen vast te staan, dat de gedraging is verricht. Mitsdien dient te worden beslist als volgt.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 30 november 1999, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 28046077 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van fl 350.-- , door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Huisman, Vellinga en Kalsbeek, in tegenwoordigheid van Bennen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.