Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD8127

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2001-10-24
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2001-10-24
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2001-10-24
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6, geldigheid: 2001-10-24
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2001-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 01/00300

24 oktober 2001

CJIB 19393748

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Rotterdam

van 11 mei 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr S. van der Toorn, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 170,- opgelegd ter zake van "voor het motorvoertuig van 3500 kg of minder is geen keuringsbewijs afgegeven", welke gedraging zou zijn verricht op 25 oktober 1997 in de gemeente Rotterdam (registercontrole) met het voertuig met kenteken [nummer].

3.2. Bij brief van 5 juli 2000, bij het arrondissementsparket te Rotterdam ingekomen op 7 juli 2000, heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking.

3.3. Ingevolge het in art. 6, eerste lid, WAHV en de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij de officier van justitie tegen de oplegging van de administratieve sanctie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de inleidende beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

3.4. Het beroepschrift is gedateerd 5 juli 2000 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 7 juli 2000 bij het arrondissementsparket ingekomen. Aangezien de inleidende beschikking blijkens het zaakoverzicht van

het CJIB op 20 januari 1998 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

3.5. Ingevolge art. 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.6. De betrokkene heeft als redenen voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift aangevoerd, dat er op 24 juli 1997 zou zijn ingebroken in zijn auto en dat daarbij zijn paspoort en rijbewijs zouden zijn weggenomen waarmee daarna 52 kentekens op zijn naam zouden zijn gesteld, dat hij door de veelheid aan beschikkingen en aanslagen voor de wegenbelasting het overzicht totaal is kwijt geraakt, dat hij er ten onrechte op heeft vertrouwd dat de advocaat die hij aanvankelijk juridische bijstand had gevraagd beroep zou instellen, dat hij vervolgens door een andere advocaat vertegenwoordigd is, en dat hij alles heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden om de gevolgen van de diefstal van bovengenoemde papieren te beperken. Hij heeft ter staving van zijn verweer het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 12 augustus 1997, op ambtsbelofte opgemaakt door P. Leydes, buitengewoon opsporingsambtenaar, het proces-verbaal, nr. 19981442676-1, van de politie Amsterdam-Amstelland, d.d. 7 april 2000, op ambtseed opgemaakt door P.A. Braam, brigadier van politie en het proces-verbaal, nr. 98142676-1, van de politie Amsterdam-Amstelland, d.d. 11 juni 1998, op ambtseed opgemaakt door P.A. Braam, hoofdagent van politie, overgelegd. Voorts voert de betrokkene aan als reden voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift, dat hij van Dominicaanse origine is en dat hij de Nederlandse taal mondeling en schriftelijk zeer slecht zou beheersen.

3.7. Het overgelegde proces-verbaal d.d. 7 april 2000, houdt in, zakelijk weergegeven, dat de betrokkene midden augustus 1997 aangifte heeft gedaan van diefstal vanuit een personenauto, van o.a. een kentekenbewijs, paspoort en rijbewijs, dat het in die tijd gewoon was dat er door de politie aangeraden werd dat men maar een tijdje moest wachten tot het rijbewijs gevonden werd, dat ook al heeft iemand aangifte gedaan van diefstal van een rijbewijs bij de politie dit niet voorkomt, dat er kentekens op naam gezet worden met behulp van dat rijbewijs totdat een nieuw rijbewijs aan de bestolene is afgegeven, dat de betrokkene nadat hij de eerste enveloppen van de motorrijtuigenbelasting had ontvangen naar de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en de politie Rotterdam is geweest, dat beide instanties hem niet wilden of konden helpen, dat de betrokkene op 11 juni 1998 in [woonplaats] op het politiebureau is geweest om een oplossing te zoeken voor zijn probleem, te weten 52 kentekens die op zijn naam stonden, en dat hij, verbalisant, navraag heeft gedaan bij de politie Rotterdam, dat men niet wist hoe men de problematiek moest aanpakken en dat men geen overzicht kon of wilde geven ten behoeve van de RDW.

3.8. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de betrokkene ten gevolge van strafbare handelingen van derden enige tientallen kentekens op zijn naam kreeg gezet. Deze situatie is kennelijk zo uitzonderlijk, dat zelfs opsporingsambtenaren belast met het opleggen van administratieve sancties als bedoeld in art. 1 WAHV de betrokkene niet wisten te zeggen hoe te handelen in die uit de - door de wetgever ten behoeve van de eenvoudige inning van administratieve sancties gecreƫerde - kentekenaansprakelijkheid voortvloeiende situatie. Voorts moet het ervoor worden gehouden - gezien hetgeen onder 3.7. werd overwogen - dat de betrokkene geheel buiten eigen medeweten en toedoen zich geplaatst zag voor het feit, dat een grote hoeveelheid kentekens binnen een korte periode op zijn naam werd gezet met ingrijpende administratieve gevolgen vandien. Een en ander brengt mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene bij het instellen van het beroep bij de officier van justitie in verzuim is geweest. Derhalve had niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn beroep achterwege dienen te blijven

3.9. De betrokkene ontkent niet dat de gedraging is verricht met een motorvoertuig waarvan het kenteken in het kentekenregister op zijn naam is gesteld, doch vraagt de inleidende beschikking te vernietigen danwel op nihil te stellen, omdat vele kentekens ten onrechte op zijn naam zouden zijn gesteld en hij vele beschikkingen van het CJIB heeft ontvangen die betrekking hebben op verkeersovertredingen die hij niet gepleegd zou hebben.

3.10. Nu op grond van het proces-verbaal van 7 april 2000 vast is komen te staan dat de gedraging is verricht met een voertuig waarvan het kenteken ten onrechte op zijn naam is gesteld en de betrokkene alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden om de gevolgen van de diefstal van zijn papieren - daar onder begrepen het valselijk zetten van kentekens op zijn naam - te beperken, is het hof van oordeel dat gronden van billijkheid meebrengen dat de administratieve sanctie behoort te worden vernietigd.

3.11. Het hof vernietigt dan ook de administratieve beschikking.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 2 september 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 19393748 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van fl 318,75, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.