Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7643

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
BK 622/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/687
FutD 2002-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 622/00 21 december 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financieel beheer van de gemeente Aa en Hunze (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken

(hierna: WOZ).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet WOZ heeft het hoofd de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-akkers 15 te Z waarvan de belanghebbende eigenaar en gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 0000/0000, gedateerd 10 april 2000. Daarbij is de waarde vastgesteld op f. 240.000,--.

Na een tijdig ingediend bezwaarschrift is bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 27 juni 2000 en verzonden op 29 juni 2000, de bovenvermelde waarde gehandhaafd.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 9 augustus 2000 ter griffie ingekomen. Het hoofd heeft op 31 oktober 2000 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

De voorzitter heeft de belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie op 10 januari 2001 bij het hof is binnengekomen en waarvan en kopie aan het hoofd is toegezonden.

Het hoofd heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie op 8 februari 2001 bij het hof is binnengekomen en waarvan een kopie aan de belanghebbende is verzonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 mei 2001 en 19 september 2001, gehouden te Assen.

Aanwezig waren op 4 mei 2001 de belanghebbende en diens echtgenote, de gemachtigde van het hoofd, bijgestaan door mr. A, alsmede mevr. B terwijl de laatste ter zitting van 19 september 2001 niet aanwezig was.

Ter zitting van 4 mei 2001 heeft de belanghebbende een door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het hoofd is ter zitting van 4 mei 2001 in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de vorenbedoelde pleitnota, van welke gelegenheid hij gebruik maakte in een brief van 31 mei 2001. Een kopie van die brief is aan de belanghebbende verzonden.

Naar aanleiding van deze reactie van het hoofd op de pleitnota heeft de belanghebbende op 3 juli 2001 schriftelijk gereageerd. Een kopie van deze brief is aan het hoofd gezonden.

Het gerechtshof heeft op 3 oktober 2001 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op

17 oktober 2001 per aangetekende post aan de partijen verzonden.

Op 26 oktober 2001 is bij het gerechtshof een verzoek van het hoofd ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het door het hoofd verschuldigde griffierecht is op 21 november 2001 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

Bij beschikking van 10 april 2000 is door het hoofd ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-akkers 15 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning, op 1 januari 2000 in aanbouw, gelegen op een kavel grond van 1.005 m2.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

Tussen partijen is in geschil de waarde van de onderhavige onroerende zaak per de peildatum 1 januari 1994.

3.1. De door het hoofd aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum f. 240.000,--. Het hoofd verwijst voor de onderbouwing hiervan naar een taxatierapport van 2 oktober 2000 van de taxateur dhr. B.

3.2. Belanghebbende stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak op een bedrag van f. 170.000,-- dient te worden gesteld gebaseerd op de aankoopprijs van de kavel grond alsmede het tot 1 januari 2000 betaalde gedeelte van de aanneemsom.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 41, eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken en het bepaalde in de Verordening onroerende zaakbelastingen van de gemeente Aa en Hunze, wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1994 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. In het rapport van de taxateur B wordt rekening gehouden met een gereedheidspercentage van 54,75. Als vergelijkingspand wordt daarin slechts de woning gelegen aan de a-akkers 11 te Z genoemd. Deze woning is op 21 september 1999 verkocht voor f. 670.000,--.

Naar het oordeel van het gerechtshof heeft het hoofd, op wie te dezen de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de belanghebbende de waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk gemaakt.

Het hoofd heeft de waarde verdedigd met het taxatierapport waarin een berekening wordt gemaakt welke uitgaat van de factor opstal van f. 350,-- per kubieke meter inhoud van de woning. Het hoofd heeft evenwel de gestelde m3-prijs en daarmee de door hem voorgestane waarde van de woning niet genoegzaam onderbouwd. Hij heeft geen verkoopprijzen van vergelijkbare panden die ten tijde van de waardepeildatum zijn verkocht overgelegd. Ook overigens heeft hij de door hem bepleite waarde niet aannemelijk gemaakt.

Het hof acht de door belanghebbende bepleite waarde - welke hij heeft bepaald op basis van de aankoopprijs van de grond en de aanneemsom van het deel van de woning dat per 1 januari 2000 gereed was - voldoende gespecificeerd en onderbouwd, zodat het hof - nu het hoofd niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan - deze waarde voor de woning zal volgen.

5. De conclusie

Het gelijk is derhalve aan de kant van belanghebbende.

6. De proceskosten

Er zijn naar het oordeel van het gerechtshof termen aanwezig, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, het hoofd te veroordelen tot betaling aan belanghebbende van een tegemoetkoming van door de belanghebbende redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten behoeve van de onderhavige beroepsprocedure, welke het gerechtshof vaststelt op f. 28,80 aan reiskosten en f. 400,-- aan verletkosten, tot in totaal f. 428,80. Daarbij is opgemerkt dat het hof met betrekking tot de toekenning van proceskosten is gebonden aan de limitatieve opsomming in het besluit proceskosten bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het hoofd;

stelt de waarde van de onroerende zaak a-akkers 15 te Z vast op een bedrag van f. 170.000,--;

gelast dat het hoofd de belanghebbende het griffierecht van f. 60,-- vergoedt;

veroordeelt het hoofd te betalen een tegemoetkoming in belanghebbendes proceskosten van het beroep, ten bedrage van

f. 428,80.

Wijst de gemeente Aa en Hunze aan als de rechtspersoon die deze kosten heeft te dragen.

Gedaan op 21 december 2001 door mr. Fransen, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dhr. Gerrits als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 27 december 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het gerechtshof

te Leeuwarden.