Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7339

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
BK 174/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/18.2.7
FutD 2002-0081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 174/99 14 december 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag in de vermogensbelasting over het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 1996 in de vermogensbelasting, aangeslagen naar een vastgesteld vermogen, als bedoeld in de Wet op de vermogensbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna te noemen: de Wet), van f 587.226,--.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak van 26 februari 1999 het vermogen nader vastgesteld op f 584.226,--.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 18 maart 1999 ter gri-fie is ingekomen. Het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur is op 11 oktober 1999 ter griffie van het hof ingekomen. De voorzitter heeft belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden welke conclusie (met bijlagen) ter griffie van het hof is ingekomen op 12 november 1999 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter griffie van het hof is ingekomen op 7 januari 2000 en waarvan een afschrift werd gezonden aan belanghebbende. Tenslotte is er op 21 maart 2000 een schrijven van belanghebbende met bijlagen ter griffie binnengekomen. Het hof heeft aan de inspecteur een afschrift gezonden en aangegeven dat een inhoudelijke reactie op het schrijven ter behandeling ter zitting zou kunnen worden gegeven.

Ter zitting van 5 juni 2000 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden door de tweede enkelvoudige kamer, gehouden te Leeuwarden. Belanghebbende, hoewel behoorlijk opgeroepen bij aangetekende brief d.d. 3 mei 2000 aan het adres a-straat 78, 0000 YY te Z is niet verschenen. De inspecteur is evenmin verschenen. De voorzitter heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst.

Ter zitting van 4 september 2001 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden, nu door de vijfde enkelvoudige kamer. Belanghebbende, hoewel behoorlijk opgeroepen bij aangetekende brief d.d. 6 augustus 2001 aan het adres a-straat 78 te Z is niet verschenen. De inspecteur is wel verschenen.

Het gerechtshof heeft op 18 september 2001 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn aangetekend aan partijen verzonden op 2 ok-tober 2001.

Bij een op 22 oktober 2001 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende ver-zocht vorenbedoelde uit-spraak te ver-vangen door een schriftelijke.

Op 5 november 2001 heeft belanghebbende het daartoe ver-schuldigde griffierecht van f 150,-- voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbe-twist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende is geboren op 7 augustus 1951 en was in het onderhavige jaar gehuwd met mevrouw A.

2.3 Belanghebbende heeft voor 1996 aangifte gedaan van een vermo-gen van f 303.926,-- en geopteerd voor indeling in tariefgroep 2.

2.4 De inspecteur heeft het vermogen belangheb-bende als volgt vastgesteld:

Aangegeven vermogen f 303.926,--

Waarde woning te L f 35.000,--

Waarde schiphuis te M f 3.000,--

Onroerende zaken echtgenote f 24.000,--

Waarde voertuigen hoger f 10.000,--

Tegoeden giro-en bankrekeningen

hoger f 211.300,--

Vastgesteld vermogen f 587.226,--

Daarnaast wordt belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 3.

2.5 In het kader van de bezwaarprocedure stelt de inspecteur bij de bestreden uitspraak het vermogen van belanghebbende als volgt nader vast:

Vastgesteld vermogen f 587.226,--

Correctie schiphuis f 3.000,--

Nader vastgesteld vermogen f 584.226,--

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Leeft belanghebbende duurzaam gescheiden van zijn echtgenote?

- Wat is de waarde van de woning a-tille 14 te L?

3.2 Belanghebbende is van mening dat hij duur-zaam gescheiden leeft van zijn echtgenote en dat haar vermogen ten onrechte door de in-specteur bij zijn vermogen is geteld. Daarnaast is hij van mening dat de waarde van de woning te L ten onrechte is vastgesteld op de taxatiewaarde van de Belastingdienst Registratie en successie.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belangheb-bende en zijn echtgenote niet duurzaam van elkaar gescheiden leven en voorts dat de waarde van de woning te L terecht is vast-gesteld op de waarde in het economisch verkeer, welke waarde in ieder geval f 85.000,-- bedroeg.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

Formeel.

4.1 Bij brief d.d. 2 mei 2001 heeft belangheb-bende een verzoek gedaan strekkende tot wraking van mr Pruiksma als behandeld raadsheer van de onderhavige zaak. Conform artikel 5d Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (: de Warb) heeft mr Pruiksma in de wraking berust.

4.2 Belanghebbende is bij brief d.d. 24 augus-tus 2001 omtrent het besluit van mr Pruiksma geïnformeerd. In deze brief is voorts meege-deeld dat de behandeling van de zaak van belang-hebbende zal plaatsvinden ten overstaan van mr Fransen, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer en dat geen uitstel van de behandeling ter zitting zal worden verleend.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brief d.d. 29 augustus 2001 wraking verzocht van mr Fransen. Belanghebbende stelt hiertoe het volgende:

"Met verwijzing naar mijn wrakingsverzoek van 2 mei 2001, ben ik van opvatting dat gezien de positie van mr. Pruiksma als vice-president zijnde, de rechtelijke onpartij-digheid van de overige leden van uw Hof, waaronder ook mr. Fransen, schade kan lijden."

4.3 Op grond van artikel 5b van de Warb kan een par-tij elk van de rech-ters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpar-tij-dig-heid schade zou kunnen lijden. Op grond van het tweede lid van artikel 5c Warb dient dit verzoek te worden gemoti-veerd.

Belanghebbende motiveert zijn verzoek, anders dan hiervoor opgenomen niet. Belangheb-bende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de persoon van mr. Fransen betreffen. Nu het verzoek voorts kennelijk niet het oog heeft op de met name door belanghebbende genoemde raadsheer, doch ziet op alle leden van het Gerechtshof Leeuwarden, gaat het hof aan dit in te bovendien is gericht tegen alle leden van gerechtshof, gaat het hof, aan dit in algemene bewoordingen gedane verzoek, als niet, althans onvoldoende, gemotiveerd, noch gespecificeerd, voorbij.

Inhoudelijk.

Duurzaam gescheiden leven.

4.4 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij op de onder-havi-ge datum duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.

4.5 Bij drie mondelinge uitspraken d.d. 29 december 1998, BK 198/94, BK 199/94 en BK 1142/98 betreffende inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1991, 1992 en 1996 van belanghebbende heeft het Gerechtshof Leeuwarden geoordeeld dat niet sprake was van een situatie waarbij belanghebbende geacht moet worden duurzaam ge-scheiden te leven van zijn echtgenote. Voormelde mondelinge uitspraken zijn, naar een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende, op 11 juni 1999 vervangen door schriftelijke uitspraken. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad bij arresten van 27 september 2000, nr. 35.473, nr. 35.475 en nr. 35.477 verworpen.

4.6 Ter onderbouwing van zijn stelling voert belanghebbende in casu aan dat zijn echtgenote door de inspecteur te Amsterdam sinds 1991 is aangeslagen als leefde zij duurzaam gescheiden van belanghebbende. Ten bewijze hiervan heeft belanghebbende diverse kopieën van aanslagen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen en aanslagen vermogensbelasting van zijn echtgenote overgelegd waaruit blijkt dat deze zijn opgelegd met in acht neming van tariefgroep 4, dan wel, ter zake van de vermogensbelasting, tariefgroep 2.

4.7 Voorzover belanghebbende zich ten aanzien van de opgeleg-de aanslagen van de inspecteur te Amsterdam beroept op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof dat uit de overge-legde aanslagen van de echtgenote van belanghebbende niet blijkt dat sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur te Amsterdam ten aanzien van het onderhavige geschilpunt. Zulks is door belanghebbende ook niet aangevoerd en de over 1991 door de inspecteur aan mevrouw A opgelegde navorderingsaanslag duidt hier evenmin op.

De Hoge Raad heeft in zijn voormelde arres-ten omtrent de stelling van belanghebbende dat zijn echtgenote fiscaal als duurzaam gescheiden levend wordt behandeld als volgt overwogen: "Het feit dat bij de belastingheffing ten aanzien van belanghebbendes echtgenote voor het onderhavi-ge jaar ervan is uitgegaan dat zij duurzaam gescheiden leefde van haar man, staat er niet aan in de weg dat het de Inspec-teur vrijstond de woonsituatie van belangheb-bende in dit jaar nader te onderzoeken en te bepalen."

4.8 Nu belanghebbende voor het onderhavige jaar geen feiten aandraagt waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van een andere feitelijke toestand dan waarover het hof in de zaken BK 198/94, BK 199/94 en BK 1142/98 heeft beslist ziet het hof thans geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.9 De inspecteur heeft op grond van het voren-overwogene terecht het vermogen van de echtgenote bij het vermogen van belanghebbende geteld.

Waarde woning

4.10 De onroerende zaak betreft een woning welke door belanghebbende als tweede woning wordt gebruikt. Belanghebbende geeft in zijn aangifte vermogensbelasting 1996 hiervoor een waarde aan van f 50.000,--. Bij beschikking van 12 maart 1997 is de waarde van de onderhavige onroerende zaak; a-tille 14 te L, in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: Wet WOZ), per 1 januari 1993 vastgesteld op f 50.000,--. De inspecteur gaat bij de vaststelling van de aanslag uit van een ambtelij-ke taxatie van de Belas-tingdienst Registratie en Successie waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak per 1 januari 1995 is vastgesteld op f 85.000,--.

4.11 De waarde in het kader van de Wet WOZ geldt eerst met ingang van de vermogensbelasting 1998. Dit neemt niet weg dat aan de WOZ-waarde wel betekenis kan worden toegekend. Thans is sprake van een tweetal waarden, die hoewel tussen beide peildata een periode van twee jaar ligt, sterk uiteenlopen. Een verklaring hiervoor wordt niet gegeven. Het hof is van oordeel dat de WOZ-waarde als uitgangspunt voor het bepalen van de onderhavige waarde kan worden gehanteerd.

Nu de inspecteur zich blijkens zijn conclusie van dupliek subsidiair op het standpunt stelt, hetgeen ter zitting door hem is bevestigd, dat uitgaan van de WOZ-waarde naar zijn mening betekent dat uitgegaan dient te worden van een waarde van f 60.100,-- zal het hof deze waarde thans als overnemen.

4.12 Anders dan belanghebbende aanvoert is het hof niet van oordeel dat de inspecteur door het achterwege laten van een taxatie van de naastgelegen woningen in L heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

4.13 Gelet op het vorenoverwogene dient de onder-havige aanslag te worden verlaagd met f 24.900,--.

5. De conclusie.

Het beroep is in zoverre gegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Warb.

7. De beslissing:

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een vermogen van f 559.326,-;

verstaat dat het betaalde griffierecht ad f 85,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur.

Gedaan op 14 december 2001 door mr Fransen, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer in tegenwoordigheid van mr De Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 17 december 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.