Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7303

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
BK 99/30219
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr: 99/30219 14 december 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van

X NV te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen van de Belastingdienst te Groningen (: de inspec-teur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting 1998 d.d. 26 juni 1999.

1. Het procesverloop.

1.1 Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB68, en is als fiscale eenheid voor de omzetbelasting in de administratie van de inspecteur opgenomen.

1.2 Daarbij is overeenkomstig artikel 25 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (:AWR) het tijdvak waarover omzetbelasting moet worden aangegeven en voldaan gesteld op een kalendermaand.

1.3 Over het onderhavige jaar (1998) is door belanghebbende bij brief van 30 maart 1999 een vrijwillige verbetering van de aangifte OB ingediend. Die verbetering had betrekking op een aantal verstrekkingen aan personeel, ten aanzien waarvan de aftrek van voorbelasting is uitgesloten op grond van artikel 1 van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (:BUA).

1.4 Naar aanleiding van die vrijwillige verbetering van de aangifte is door de inspecteur bij brief van 31 mei 1999 aangekondigd dat terzake een naheffingsaanslag OB zou worden opgelegd, waarbij tevens werd medegedeeld dat in die naheffingsaanslag een boete van

f 10.000,- zou worden begrepen.

1.5 De onderhavige naheffingsaanslag heeft als dagtekening 26 juni 1999. De enkelvoudige belasting bedraagt f. 814.155,-- en de boete

f. 10.000,--.

1.6 Het daartegen door belanghebbende op 12 juli 1999 ingediende bezwaarschrift is bij uitspraak van de inspecteur van 3 december 1999 afgewezen.

1.7 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een op 28 december 1999 bij het hof binnengekomen beroepschrift (met bijlagen).

1.8 Bij een op 28 februari 2000 bij het hof binnengekomen brief (met bijlagen) heeft belanghebbende zijn beroep gemotiveerd.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift d.d. 27 maart 2000 (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft het gerechtshof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek te nemen, welke bij het hof is binnengekomen op 5 juli 2000 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

1.9 De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek genomen, welke bij het hof is binnengekomen op 3 augustus 2000 en waarvan een afschrift aan de belanghebbende werd gezonden.

1.10 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren mrs A, B en C namens belanghebbende, alsmede de inspecteur die werd bijgestaan door Drs. D.

1.11 Ter zitting hebben mr B en Drs. D de door hen voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.12 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.13 Het hof heeft in deze zaak op 24 september 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 8 oktober 2001, aan partijen is verzonden.

1.14 Bij een bij het hof op 31 oktober 2001 binnengekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.15 De belanghebbende heeft het verschuldigde griffierecht op 31 oktober 2001 voldaan.

2. Het geschil.

2.1. Te dezen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de boete van ƒ 10.000,-- rechtmatig is opgelegd.

2.2. Belanghebbende bepleit onrechtmatigheid van de verzuimboete op de volgende gronden:

- er is geen sprake van verwijtbaarheid nu het feitelijk door de inspecteur verlangde systeem het onmogelijke van belanghebbende als maandaangever vraagt;

- jarenlang is haar thans bestreden handelwijze gevolgd; het gaat dan niet aan als eerste signaal van bezwaar meteen deze boete op te leggen;

- er wordt aanspraak gemaakt op analoge toepassing van het Besluit vrijwillige verbetering aangiftebelastingen.

2.3. De inspecteur is op gronden als vermeld in de van de hem afkomstige stukken van oordeel dat de onderhavige verzuimboete terecht en op goede gronden is opgelegd.

2.4 Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3. De overwegingen omtrent het geschil.

3.1 De administratieve verplichtingen die aan de ondernemer zijn opgelegd krachtens artikel 34 Wet OB juncto artikel 31 Uitvoeringsbeschikking dienen ertoe te leiden dat de

ondernemer per aangiftetijdvak de door hem verschuldigde omzetbelasting kan vaststellen. Dat betekent in concreto dat belanghebbende per tijdvak van een maand de verschuldigde belasting uit de gevoerde administratie moet kunnen kennen. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat daarbij onverkort rekening moet (kunnen) worden gehouden met de omvang van de krachtens het BUA niet aftrekbare voorbelasting.

3.2 Aan belanghebbende kan wellicht worden toegegeven dat zulks onder omstandigheden een niet onaanzienlijke administratieve last legt op de ondernemer wat omvang en inrichting van zijn administratie betreft, maar dat kan geen afbreuk doen aan de bedoeling van de wetgever zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

3.3 Dat brengt met zich dat belanghebbende zich voor de late vaststelling (en betaling) van de op grond van het BUA niet aftrekbare voorbelasting niet kan excuseren met een beroep op die administratieve last.

3.4 Overigens lijkt belanghebbende hierbij uit het oog te verliezen dat in casu sprake is van een verzuimboete ex artikel 67c van de AWR, voor de toepassing waarvan de wetgever de vraag of in meerdere of mindere mate van verwijtbaarheid sprake is geweest niet relevant heeft geacht: in het belang van de orde moet tegen een dergelijk verzuim adequaat kunnen worden opgetreden met het oog op een ordelijke en doelmatige werkwijze van de Belastingdienst, mede gelet op de rentenadelen voor het Rijk die van verzuimen als het onderhavige het gevolg kunnen zijn.

3.5 Dat neemt niet weg dat tussen verzuim en boete een zekere redelijke verhouding dient te bestaan, waarbij de bovengrens wordt gevormd door het bedrag van f 10.000,- uit de laatste volzin van het eerste lid van art. 67c AWR. De inspecteur heeft onder toepassing van paragraaf 24, tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (:BBBB) de boete bepaald op 5 procent van het nageheven bedrag ad f 814.155,-, ofwel op f 40.707,-, zodat het maximum van de boete voormeld bedrag van f 10.000,- beliep. Aldus heeft de inspecteur de juiste regel correct toegepast.

3.6 Het beroep op analoge toepassing van het Besluit vrijwillige verbetering aangiftebelasting faalt, nu het te laat betaalde belastingbedrag zowel meer dan f 25.000,- als meer dan 10 procent van de jaaraangifte heeft bedragen (paragraaf 3.8 beroepschrift). Ook overigens zijn geen omstandigheden aangevoerd die grondslag kunnen bieden aan hetgeen belanghebbende in dit verband betoogt.

3.7 Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt: de controlerend ambtenaar heeft, naar ook belanghebbende erkent, bij het boekenonderzoek de vraag opgeworpen of de onderhavige suppletie van belasting niet steeds per tijdvak (van een maand) zou dienen plaats te vinden. Belanghebbende heeft daartegen haar bezwaren uiteengezet (zie 2.2 hiervoor). Uit niets blijkt echter dat bij dat onderzoek, of naderhand, afspraken zijn gemaakt of toezeggingen zijn gedaan waaraan enig rechtens te beschermen vertrouwen omtrent de aanvaardbaarheid van belanghebbendes feitelijke aangiftegedrag zou zijn te ontlenen. Herhaald zij in dit verband dat de mate van verwijtbaarheid bij toepassing van een verzuimboete als de onderhavige naar de bedoeling van de wetgever geen rol kan spelen.

3.8 Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan belanghebbende niet baten: tegenover de gemotiveerde betwisting van de desbetreffende stelling door de inspecteur, heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien vervolgens aannemelijk gemaakt, aantonen dat de inspecteur in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen een boetebeleid bij belastingsuppletie voert waarvan hij ten opzichte van belanghebbende in negatieve zin zou zijn afgeweken. In dit verband merkt het hof op dat belanghebbende niet weerspreekt dat de inspecteur in het verleden steeds jegens iedere omzetbelastingplichtige het beleid heeft gevoerd dat de zogeheten BUA-suppleties mochten worden opgenomen in de aangifte over het laatste tijdvak van enig belastingjaar. Dat betekent dat in casu die suppletie-aangifte voor 1 februari 1999 had moeten zijn ingediend. Dat is in dit geval niet gebeurd. Ook in zoverre is aan het verleden geen rechtens te beschermen vertrouwen te ontlenen.

3.9 Het beroep is in al zijn onderdelen ongegrond, zodat de bestreden uitspraak gehandhaafd dient te blijven.

4. De proceskosten.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het hof geen termen aanwezig.

5. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 december 2001 door mr Pruiksma , vice-president, voorzitter, mr Drion en mr Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 19 december 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.