Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7301

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
BK 714/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 714/00 14 december 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

het hoofd van Belastingdienst/Ondernemingen te Leeuwarden (: de inspec-teur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aan-slag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Het procesverloop.

1.1. Aan belanghebbende is met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting ten laste van belanghebbende voor het jaar 1997 door de inspecteur een aangiftebiljet uitgereikt.

1.2. Belanghebbende heeft het hem uitgereikte aangiftebiljet niet bij de inspecteur ingeleverd, ook niet na daartoe door de inspecteur te zijn aangemaand.

1.3. De inspecteur heeft vervolgens ambtshalve een aanslag met dagtekening 24 mei 2000 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 50.925,-- onder toepassing van tariefgroep II.

1.4. Bij tijdig ingediend bezwaarschrift heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht de aangifte te mogen indienen voor 1 augustus 2000, welk verzoek door de inspecteur is ingewilligd.

Ook per 1 augustus 2000 was nog geen aangifte ingediend.

1.5. De inspecteur heeft bij uitspraak van 9 augustus 2000 het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.6 De gemachtigde van belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een bij het hof op 19 september 2000 binnengekomen beroepschrift.

1.7. Van de gemachtigde van belanghebbende is op 17 en 18 oktober 2000 een aanvulling op het beroepschrift binnengekomen.

1.8. Van de inspecteur is op 1 december 2000 een verweerschrift binnengekomen.

1.9. Op 6 december 2000 is een van de gemachtigde van belanghebbende afkomstige conclusie van repliek (met een bijlage) bij het hof binnengekomen.

1.10. Bij een op 20 december 2000 bij het hof binnengekomen conclusie van dupliek heeft de inspecteur gepersisteerd bij de inhoud van het verweerschrift.

1.11. Bij een op 28 december 2000 bij het hof binnengekomen brief (met bijlagen) heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd op de conclusie van dupliek.

1.12. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

1.13. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

1.14. Het hof heeft in deze zaak op 24 september 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 8 oktober 2001, aan partijen is verzonden.

1.15. Bij schrijven ingekomen op 16 oktober 2001 heeft belanghebbende

verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

De belanghebbende heeft het verschuldigde griffierecht op 2 november 2001 voldaan.

2. De feiten.

Belanghebbende is in 1998 strafrechtelijk veroordeeld voor een economisch delict tot een vrijheidsstraf . Tevens is daarbij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel ad f.78.124,-- toegewezen. Van deze vordering was per 11 juli 2001 in ieder geval een gedeelte ad f. 57.000,-- nog niet door belanghebbende betaald.

3. Het geschil.

3.1. Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag terecht ambtshalve, en zo ja niet tot een te hoog bedrag, is opgelegd.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting zijn geen nadere gronden aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 62, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet luidde voor het jaar 1997, wordt de inkomstenbelasting geheven bij wege van aanslag. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6, 8 en 9 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (nader: de AWR) kan de inspecteur (vermoedelijk) belastingplichtigen uitnodigen tot het doen van aangifte door het toezenden van een aangiftebiljet, waarna degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden is aangifte te doen binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

4.2. Vast staat dat de inspecteur aan belanghebbende een aangiftebiljet heeft uitgereikt, zodat belanghebbende derhalve gehouden was binnen een door de inspecteur te stellen termijn aangifte te doen. Nu belanghebbende aan die verplichting niet heeft voldaan was de inspecteur ingevolge artikel 11, lid 2, van de AWR bevoegd de aanslag ambtshalve vast te stellen.

4.3. De hiervoor vermelde bevoegdheid van de inspecteur om de aanslag ambtshalve vast te stellen wordt onder meer begrensd doordat in dat geval het belastbaar inkomen, voor zover dat bij wijze van schatting wordt bepaald, dient te zijn gegrond op een redelijke schatting van de inspecteur.

4.4. Nu belanghebbendes gemachtigde in het bezwaarschrift aangeeft dat belanghebbende een gemiddeld inkomen heeft van f.50.000,--, terwijl in 1996 een inkomen is aangegeven van f.130.000,--, is het hof van oordeel dat bepaling van het belastbaar inkomen door de inspecteur op f.50.925,-- (mede gebaseerd op een geschatte winst van f.60.000,--) berust op een in redelijkheid gedane schatting.

4.5. Belanghebbende heeft weliswaar de tariefgroepindeling ter discussie gesteld, doch geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan een andere indeling dan die welke door de inspecteur is gehanteerd zou moeten volgen. Ook overigens zijn dergelijke feiten of omstandigheden niet gebleken of aannemelijk geworden.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de aanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld, zodat het beroep ongegrond is.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 december 2001 door mr Pruiksma , vice-president, voorzitter, mr Drion en mr Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 19 december 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.