Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7178

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
19-12-2001
Zaaknummer
0000348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 november 2001

Rolnummer 0000348

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

eerste kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake:

De naamloze vennootschap N.V. Verzekeringsmaatschappij Woudsend Anno 1816,

gevestigd te Z,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Woudsend,

procureur: mr J. de Goede,

tegen

A,

wonende te Z,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: A,

procureur: mr V.M.J. Both.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 21 augustus 1996, op 16 september 1998 en op 19 juli 2000, alsmede in de rolbeschikkingen van 19 februari 1997 en van 24 maart 1999 door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 21 september 2000 is door Woudsend hoger beroep ingesteld van voormelde de vonnissen en rolbeschikkingen met dagvaarding van A tegen de zitting van 4 oktober 2000.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het uw hof behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de vonnissen van 16 september 1998, 24 maart 1999 en 19 juli 2000, door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden onder rolnummer H95/99 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de eiser in eerste instantie af te wijzen, hetzij door deze vordering niet ontvankelijk te verklaren, danwel die als ongegrond aan te merken, met veroordeling van de eiser in eerste aanleg in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord is door A verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vonnissen van 16 september 1998, 24 maart 1999 en 19 juli 2000 door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden onder rolnummer H95/99 tussen partijen gewezen te bekrachtigen met veroordeling van Woudsend in de proceskosten, waaronder begrepen die van de eerste aanleg."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Door Woudsend zijn de volgende grieven opgeworpen:

- tegen het vonnis van 16 september 1998:

Grief I: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat de geïntimeerde in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de bedoelde therapeutische behandeling (zoals aanbevolen door de zenuwarts D) voor hem te weinig effectief zou zijn."

Grief II: "Ten onrechte besliste de rechtbank (rechtsoverweging 2) dat van de geïntimeerde in de afgelopen jaren in redelijkheid niet verlangd kon worden dat hij werk zou zoeken."

- tegen het vonnis van 19 juli 2000:

Grief III: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat Woudsend moet opkomen voor de schade die een gevolg is van het feit dat de geïntimeerde zich na de mislukte terugkeerpoging geen activiteiten meer heeft ondernomen om in het arbeidsproces terug te keren."

Grief IV: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat bij haar beslissing mede van belang is dat de appellante geen pogingen tot reïntegratie heeft ondernomen."

Grief V: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat er voor wat de huidige en de toekomstige mogelijkheden van de geïntimeerde op de arbeidsmarkt betreft, deze in redelijkheid als verwaarloosbaar klein moeten worden beschouwd."

Grief VI: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat aan de geïntimeerde in redelijkheid niet kan worden verweten en aan appellante moet worden toegerekend dat thans geen reëel verdienvermogen meer aanwezig is."

Grief VII: "Ten onrechte besliste de rechtbank dat de appellante gehouden is de gehele schade wegens verlies aan arbeidsinkomsten en wegens pensioenschade te vergoeden."

De beoordeling

1. Tegen het vonnis van 21 augustus 1996 en de rolbeschikkingen van 19 februari 1997 en van 24 maart 1999 zijn geen grieven ontwikkeld, zodat Woudsend in haar hoger beroep tegen die uitspraken niet ontvankelijk is. Het hof zal dan ook hebben uit te gaan van de vaststaande feiten als weergegeven onder overweging 2 (2.1 t/m 2.8) van het vonnis van 21 augustus 1996.

Voorts staat, in aanvulling op de vaststelling onder 2.5 en 2.6.van het hiervoor bedoelde vonnis van 21 augustus 1996 het volgende vast:

In een brief d.d. 31 december 1991 (overgelegd als productie 3 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg) schrijft drs C, de huisarts van A aan een niet nader genoemde collega omtrent A onder meer het volgende:

"In het rapport van coll.D wordt wel erg nadrukkelijk gesuggereerd dat de klachten van patiënt een psychosomatische uiting zijn van onverwachte problemen. Deze visie is zowel voor betrokkene als voor mij onverwacht en erg subjectief. Ik heb betrokkene geadviseerd om over de suggestie van coll. D na te denken en daar zelf een beslissing over te nemen."

Met betrekking tot grief I:

2. A heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij heeft afgezien van de psychotherapeutische behandeling welke hem door de zenuwarts D was aanbevolen na overleg met zijn huisarts. Laatstgenoemde zou een psychotherapeutische behandeling weinig zinvol hebben geacht. Wat er van dat laatste - en van een eventueel door het Revalidatiecentrum Het Roessingh gegeven advies - ook zij, uit de onder de vaststaande feiten vermelde brief d.d. 31 december 1991 van bedoelde huisarts komt onmiskenbaar naar voren dat het A zelf is geweest die de beslissing om het advies van dokter D niet op te volgen, heeft genomen, zonder dienaangaande nader met D te overleggen of een "second opinion" te vragen van een andere (zenuw)arts. Dat die beslissing berustte op redelijke gronden is onvoldoende gemotiveerd gesteld en evenmin gebleken.

3. Van belang is in dit verband dat de rapportage van D, waarin bedoeld advies is vervat, is tot stand gekomen op eenzijdig verzoek van A, ruim een jaar nadat A het betreffende auto-ongeval was overkomen. In bedoeld rapport schrijft D onder meer, naar aanleiding van zijn op basis van het door hem verrichte neurologisch onderzoek ontwikkelde visie, optimistisch te zijn over de herstelmogelijkheden van A. Deze zou moeten leren op een andere wijze met zichzelf om te gaan en gedragsmatig te veranderen. Psychotherapeutisch contact met een ervaren psychotherapeut, ook bekend met trauma's en de gevolgen daarvan is daarom volgens D geïndiceerd. "Op die wijze zal betrokkene kunnen veranderen, waardoor ook een deel van zijn klachten, nu aanwezig als een reactie vanuit zijn persoon op het ongeval, kunnen verdwijnen."

4. De rechtbank heeft aan de bij rolbeschikking d.d. 19 februari 1997 benoemde deskundigen - en meer specifiek aan dr E, psychiater - onder meer de vraag voorgelegd of de eventuele klachten, beperkingen en invaliditeit beperkt hadden kunnen worden, indien A had meegewerkt aan de aanbevolen (psycho-therapeutische) behandeling. Het door de deskundige E op die vraag gegeven antwoord luidt - voorzover hier van belang -als volgt:

"Eventuele klachten, beperkingen en invaliditeit hadden wel beperkt kunnen worden indien betrokkene de psychotherapeutische (gedragsmatige) behandeling was aangegaan, zoals door de zenuwarts D werd geadviseerd. De klachten zouden daardoor minder frequent en intensief zijn geweest, naar alle waarschijnlijkheid, en de onder Ad. 3 beschreven beperkingen zouden daardoor in omvang en intensiteit in belangrijke mate, zeer waarschijnlijk voor minder dan de helft, aan de orde zijn geweest. De omstandigheid dat betrokkene hierin tegenstrijdige adviezen zou hebben gekregen van de huisarts en het revalidatiecentrum laten dit onverlet. Immers bij hem was een aanzienlijke lijdenssdruk aanwezig m.b.t. de beperkingen als gevolg daarvan. Zijn persoonlijkheidsconstellatie is zodanig gevormd en genuanceerd, dat in feite hierin geen contra-indicatie lag voor de aanbevolen therapie."

Blijkens het rapport d.d. 26 juni 1997, dat door de drie door de rechtbank benoemde deskundigen gezamenlijk is uitgebracht, wordt de hiervoor vermelde bevinding van dr E door de beide andere deskundigen onderschreven.

5. Nu gesteld noch gebleken is dat de beslissing van A om het advies om zich psycho-therapeutisch te laten behandelen niet op te volgen het gevolg is van een persoonlijkheidsstoornis, moet A ten opzichte van Woudsend verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van zijn beslissing op de aanbevolen therapie niet te volgen.

6. Het hof merkt in dit verband op dat het tweede rapport van de zenuwarts D d.d. 4 juli 1995 (productie 2 bij de conclusie van repliek in eerste aanleg) aan het vorenoverwogene in onvoldoende mate afdoet. D komt in dat rapport immers tot de conclusie dat er bij A sprake is van een status quo ten opzichte van het eerder door hem in 1991 verrichte onderzoek. Letterlijk schrijft hij onder meer het volgende: "Betrokkene is in zijn persoonlijkheidsstructuur niet veranderd, noch zijn zijn klachten en symptomen in essentie gewijzigd. De bevindingen van het huidige onderzoek stemmen overeen met die van het eerdere onderzoek."

Weliswaar oordeelt D in dit rapport verdere therapeutische mogelijkheden niet aanwezig, maar terzake van het niet opvolgen van zijn eerdere advies van psychotherapie komt hij niet eerder tot die conclusie dan nadat hij heeft opgemerkt dat zulks gezien de motivatie van betrokkene in het licht van de mening van diens huisarts geen begaanbare route is, hetwelk mogelijk te betreuren valt.

Niet kan derhalve worden geconcludeerd dat D hier afstand neemt van zijn eerdere advies. Veeleer is het zo dat hij - gelet op de motivatie van A - de eerder door hem aanbevolen therapie thans (medio 1995) geen begaanbare weg meer vindt.

7. Ook het feit dat dr E niet meer heeft gereageerd op commentaar van D en/of F doet aan het vorenoverwogene niet af. Met het uitbrengen van zijn rapportage had dr E zijn opdracht als deskundige immers afgerond. Niet gesteld of gebleken is dat partijen door de deskundigen niet in staat zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen.

8. Aan de opmerking van de door A eenzijdig ingeschakelde medisch deskundige F dat naar zijn ervaring psychotherapeutische behandeling 14 maanden na een ongeval nauwelijks nog resultaten oplevert, gaat het hof voorbij omdat die opinie in strijd is met de bevindingen van D en E die, als zenuwartsen, op dit terrein meer deskundigheid moet worden toegekend dan de chirurg F. Zulks klemt temeer nu deze zenuwartsen in hun opinie worden gesteund door de neurologen G en H en de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige. Deze laatste spreekt, zich beroepend op haar ervaring, van "een gemiste kans" daar waar zij refereert aan het niet opvolgen door A van het advies van D tot het volgen van een psychotherapeutische behandeling.

9. Nu zich in casu de bijzondere omstandigheid voordoet dat het slachtoffer zich - mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en hetgeen daaromtrent hiervoor onder 5 is overwogen - onvoldoende heeft ingespannen om een bijdrage te leveren aan zijn herstelproces (zie HR 4 november 1988, NJ 1989,741), rest de vraag in hoeverre de vergoedingsplicht van Woudsend moet worden verminderd tengevolge van de aan A toe te rekenen omstandigheid dat hij heeft geweigerd om de aanbevolen psycho-therapeutische behandeling te ondergaan (artikel 6:101 BW).

10. E en de neurologen G en H achten het waarschijnlijk dat de klachten tengevolge van psycho-therapeutische behandeling met meer dan de helft zouden zijn verminderd, doch zij motiveren die uitspraak niet. De door A geraadpleegde chirurg F - wiens bij conclusie na deskundigenbericht door A overgelegde commentaar niet inhoudelijk door Woudsend is weersproken - is van mening dat slechts een klein deel van het ongevalsgevolg (te weten de psychogene c.q. de psychiatrische gevolgen) tengevolge van psycho-therapeutische behandeling zal kunnen verbeteren. D steunt F weliswaar in die opvatting (zie productie 3 bij de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van A), doch die reactie staat op gespannen voet met de optimistische inschattingen in zijn eerste rapport ten aanzien van de prognose voor A, mits deze de aanbevolen behandeling zou ondergaan.

11. Resumerend is het hof van oordeel dat de mate waarin het niet ondergaan van de aanbevolen behandeling aan de door A - tengevolge van het hem overkomen ongeval - geleden schade heeft bijgedragen, op basis van hetgeen dienaangaande door de diverse deskundigen is opgemerkt, in redelijkheid moet worden gesteld op 10 % .

12. De grief is derhalve deels gegrond.

Met betrekking tot de grieven II t/m VI:

13. De grieven richten zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de toekomstige mogelijkheden van A op de arbeidsmarkt als verwaarloosbaar klein moeten worden beschouwd en tegen de beslissing van de rechtbank - zakelijk weergegeven er op neerkomend - dat de omstandigheid dat A niet aan het arbeidsproces deelneemt aan Woudsend moet worden toegerekend, alsmede tegen de aan die beide beslissingen ten grondslag gelegde overwegingen.

De grieven lenen zich derhalve voor gezamenlijke behandeling.

14. Uitgangspunt bij een onrechtmatige daad die bestaat uit het toebrengen van letsel dient te zijn dat de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader zullen moeten worden toegerekend, ook al zou die schade verband houden met een te pessimistische kijk van het slachtoffer op zijn eigen arbeidsgeschiktheid (hetwelk in casu overigens wordt betwist) en ook al zijn die gevolgen daardoor ernstiger en langer van duur dan in de normale lijn der verwachtingen ligt (HR 8 februari 1985, NJ 1985, 137).

15. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige, dat in opdracht van de rechtbank is tot stand gekomen, komt naar voren dat de Gemeenschappelijke Medische Dienst veel tijd en aandacht heeft besteed aan de reïntegratie van A bij zijn oude werkgever, alsmede dat A goed gemotiveerd was om een reïntegratietraject in te gaan bij zijn eigen (oude) werkgever. Woudsend heeft dat ook niet betwist.

Dat verdere reïntegratiepogingen zijn afgestuit op de onwil van A wordt weliswaar door Woudsend gesteld, maar kan naar het oordeel van het hof geenszins uit het rapport van de arbeidsdeskundige worden opgemaakt en vindt ook overigens onvoldoende onderbouwing in de processtukken. In dat verband is van belang dat A af is gegaan - en dat in redelijkheid ook mocht doen - op de uitkomsten van de keuringen ingevolge de AAW/WAO, welke hebben geleid tot toekenning van een AAW/WAO uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 %.

16. Nu terzake geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod voorligt, staat deze stelling van Woudsend aan toewijzing van het gevorderde niet in de weg.

17. Terzijde merkt het hof in dit verband op dat A Woudsend terecht het verwijt maakt dat zij van haar kant geen enkele aanwijsbare poging heeft gedaan A behulpzaam te zijn bij reïntegratie.

18. De door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige achtte eind 1999 de kans klein dat het A alsnog zou lukken te reïntegreren naar passend werk. Nu de voortschr_dende tijd slechts in het nadeel van A werkt (A is inmiddels 54 jaar oud) oordeelt ook het hof die kans thans verwaarloosbaar klein.

19. De grieven II t/m VI zijn derhalve in zoverre vergeefs voorgesteld.

Met betrekking tot grief VII:

20. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat Woudsend 90 % van de schade van A wegens verlies aan arbeidsinkomsten en wegens pensioenschade zal moeten vergoeden. De grief - die overigens zelfstandige betekenis mist - is deels terecht voorgesteld.

Slotsom

De beroepen vonnissen d.d. 16 september 1998 en 19 juli 2000 dienen te worden bekrachtigd, behoudens voorzover daarin is overwogen dat Woudsend de gehele schade wegens verlies aan arbeidsinkomsten en wegens pensioenschade moet vergoeden. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zal het hof ieder der partijen belasten met de eigen kosten in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart Woudsend niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 21 augustus 1996 en de rolbeschikkingen van 19 februari 1997 en van 24 maart 1999;

vernietigt de vonnissen van 16 september 1998 en 19 juli 2000, waarvan beroep, voorzover daarin is overwogen dat Woudsend de gehele schade wegens verlies aan arbeidsinkomsten en wegens pensioenschade moet vergoeden;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verstaat dat Woudsend 90 % van de schade wegens verlies aan arbeidsinkomsten en wegens pensioenschade aan A moet vergoeden;

bekrachtigt de beroepen vonnissen d.d. 16 september 1998 en 19 juli 2000 voor het overige;

belast ieder der partijen met de eigen kosten in hoger beroep;

wijst de zaak ter verdere berechting terug naar de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Eradus en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Streppel, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 november 2001.