Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD6883

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
12-12-2001
Zaaknummer
BK 177/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/18.2.2
FutD 2001-2419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 177/01 7 december 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Hoogeveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Het procesverloop.

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van f. 117.532,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 21 februari 2001 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 7 maart 2001 is ingekomen en dat werd aangevuld bij brief (met bijlagen) van 2 april 2001.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het hof van 19 september 2001, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende zomede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Het hof heeft in deze zaak op 3 oktober 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 17 oktober 2001, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 22 oktober 2001 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 25 oktober 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 12 november 2001 dat griffierecht voldaan.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist tussen partijen vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 28 december 1926 en gehuwd, heeft in het jaar 1999 f 94.224,-- (bruto)inkomsten uit vroegere arbeid genoten.

2.2. Bovendien genoot hij in dat jaar een bedrag van in totaal

f 36.077,-- aan rente-inkomsten. Het saldo van zijn bank- en spaarrekeningen was per ultimo 1999 in totaal f 356.065,--.

Hij heeft verder in 1999 een totaalbedrag van f 4.597,-- aan dividend (na aftrek van kosten) genoten. De waarde van belanghebbendes effectenpakket, dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan effecten, namelijk uit 78 fondsen, vertegenwoordigt per ultimo 1999 een waarde van in totaal f 1.282.277,--.

Belanghebbende is klant bij zes verschillende banken en hij heeft zeven effectenrekeningen en een regelmatig muterende depositorekening bij zijn voormalige werkgever.

2.3. Samen met (alleen maar) zijn echtgenote woont hij in zijn eigen woning op het adres plaatselijk bekend a-straat 11 in Z. De met het geldende ophogingspercentage gecorrigeerde zogenaamde WOZ-waarde van deze woning is

f 409.000,--. Hij is daarnaast voor 50% eigenaar van een woning in N met een waarde voor hem van f 54.000,--. Hij genoot in onderhavige jaar een nettobedrag van f 1.240,-- aan inkomsten uit overige onroerende goederen.

2.4. Belanghebbende heeft in het door hem en zijn echtgenote bewoonde huis een werkkamer ingericht, welke enkel door hemzelf - dagelijks zeker drie tot vier uren - wordt benut voor het via internet volgen van de koersen, lezen van het beursnieuws uit het binnen- en buitenland om snel te kunnen inspelen op de actuele situatie, het bijhouden van zijn bankrekeningen en het in dit verband ongestoord telefoneren. De betreffende ruimte wordt niet voor andere doeleinden gebruikt. Ten behoeve van voormelde activiteiten heeft belanghebbende een computer aangeschaft, welke in de werkruimte is geplaatst.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

Belanghebbende is - kort weergegeven - de mening toegedaan dat de kosten voor bedoelde werkruimte en de computer aftrekbaar zijn als kosten van vermogensbeheer, terwijl de inspecteur zich op het standpunt stelt dat bedoelde kosten niet in aftrek gebracht kunnen worden.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

Voor een uitgebreidere motivering van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1. In het arrest van 22 maart 2000 (BNB 2000/180) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat uit de algemene regel van artikel 35 van de wet voortvloeit dat indien een belastingplichtige in redelijkheid heeft kunnen besluiten een werkkamer in zijn woning uitsluitend of nagenoeg uitsluitend te gebruiken voor vermogensbeheer, zodat deze aan het persoonlijke leven van die belastingplichtige en zijn gezin is onttrokken, de aan het gebruik van die kamer verbonden kosten als kosten van vermogensbeheer tot de aftrekbare kosten behoren.

4.2. Gelet op de onder 2.4. geschetste aard en omvang van zijn werkzaamheden in de betreffende werkkamer, de omvang en samenstelling van zijn effectenpakket en van zijn totale vermogen, in onderling verband en samenhang bezien, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken, enerzijds dat belanghebbende ver weg de meeste tijd in de werkkamer, middels (onder meer) de computer, heeft besteed aan studie/onderzoek verband houdend met koersontwikkelingen met betrekking tot (mogelijke) aan- of verkoop van effecten waarbij het behalen van koerswinsten/vermijden van koersverliezen van belang is, en anderzijds dat hij slechts een beperkt deel van de tijd in de werkkamer heeft besteed aan het administreren en verwerken van aangelegenheden die verband houden met zijn op dat moment aanwezige vermogen en de daaruit voortkomende inkomsten. Het tegendeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Belanghebbende heeft de betreffende werkkamer en computer naar het oordeel van het hof derhalve niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruikt voor vermogensbeheer. De inspecteur heeft derhalve terecht geen aftrek toegestaan.

4.3. Van handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door de inspecteur is het hof niet gebleken.

4.4. Het gelijk ligt aan de kant van de inspecteur.

4.5. Abusievelijk heeft de inspecteur bij de aanslagregeling een correctie aangebracht. Deze omissie heeft hij pas hersteld bij de verminderingsbeschikking van 24 april 2001, derhalve na het tijdstip waarop het onderhavige beroepschrift is ingekomen. Het beroep is derhalve gegrond, de uitspraak dient te worden vernietigd en het belastbare inkomen dient overeenkomstig te worden verminderd.

5. De proceskosten.

Er is aanleiding de inspecteur te veroordelen tot betaling aan belanghebbende ter zake van gemaakte proceskosten, welke tegemoetkoming het hof vaststelt op f. 100,-- aan reiskosten.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f. 115.024,--;

verstaat dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ad f. 60,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan belanghebbende in een tegemoetkoming van gemaakte proceskosten, ten bedrage van f. 100,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen;

Gedaan op 7 december 2001 door mr. Fransen, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 12 december 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.