Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD6224

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
28-11-2001
Zaaknummer
BK 534/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr: 534/00 23 november 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen/Vestiging Assen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekerin-gen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 56.341,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 5 juni 2000 het bezwaar afgewezen.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 10 juli 2000 is ingekomen.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 oktober 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Zonder bezwaar van de inspecteur heeft belanghebbende bij zijn pleitnota een bijlage gevoegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Belanghebbende is geboren op 11 september 1909. Zij is weduwe sinds 1987. Na haar verblijf in Zwitserland is zij in Nederland komen wonen. Sinds 18 februari 1992 is zij woonachtig in Z.

2.3 Haar overleden echtgenoot heeft in Zwitserland 40 jaar gewerkt bij de A (: A). Belanghebbende heeft sinds 1 maart 1994 recht op een uitkering van de Schweizerische Ausgleichskasse en een uitkering van de Pensionskasse A. Deze uitkeringen samen bedroegen in 1998 f 42.301,-.

2.4 Voorts genoot belanghebbende in 1998 een AOW-uitkering van

f 17.729,-.

2.5 Bij beschikking van de Sociale Verzekeringsbank (: SVB) van 12 mei 2000 verleende de SVB belanghebbende met ingang van 5 april 2000 ingevolge haar verzoek van 5 april 2000 vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Op de beschikking staat vermeld dat de beslissing is genomen met toepassing van artikel 22 van het Koninklijk Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: BUB).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onder 2.5 genoemde vrijstelling ook kan gelden voor het jaar 1998. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3 Belanghebbende concludeert tot toepassing van de vrijstelling in 1998.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Anders dan belanghebbende bepleit komt het hof niet de bevoegdheid toe de onder 2.5 genoemde vrijstelling ook toe te passen over 1998.

4.2 De SVB had eventueel op grond van artikel 22, lid 3, BUB een eerdere ingangsdatum kunnen nemen dan 5 april 2000, maar nu zij dat niet heeft gedaan kan het hof dit niet veranderen.

4.3 Belanghebbende voert nog aan dat de vorige gemachtigde eerder een vrijstelling had kunnen vragen bij de SVB. Deze stelling kan echter ook niet tot een eerdere ingangsdatum van de vrijstelling leiden.

4.4 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als volgt.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 23 november 2001 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, mr. J. Huiskes, raadsheer en mr. A.J. Woelders, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Gerrits en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Op 28 november 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.