Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD5175

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
BK 870/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/273
V-N 2002/18.2.9
FutD 2001-2162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

----BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 870/98 2 november 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Emmen (hierna: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking inge-volge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Ingevolge de Wet WOZ heeft het hoofd de waarde met betrekking tot de onroerende zaak aan de a-straatl 6 te Z, waarvan belanghebbende eigenaar en gebruiker is, vastgesteld bij beschikking d.d. 8 maart 1997. Daarbij is de waarde vastgesteld op fl. 486.000,--.

Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 9 juni 1998, is deze waarde vastgesteld op een bedrag van

fl. 478.00,--.

Het beroepschrift (met bijlagen) is op 25 juni 1998 ter griffie van het hof ingekomen.

Het hoofd heeft op 16 oktober 1998 een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 5 juni 2001, gehouden te Assen, waarbij aanwezig waren belanghebbende, vergezeld door zijn echtgenote en een buurman, alsmede de gemachtigde van het hoofd, de heer A, beleidsadviseur afdeling belastingen van de gemeente, bijgestaan door de heer B, makelaar-taxateur.

Ter voormelde zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Het gerechtshof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

Het gerechtshof heeft op 19 juni 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 3 juli 2001 per aangetekende post aan partijen verzonden.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 23 juli 2001 is bij het gerechtshof een verzoek van het hoofd ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het door het hoofd ver-schuldigde griffierecht is op 27 augustus 2001 voldaan.

2. De feiten.

2.1 Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.2 Bij beschikking van 8 maart 1997 is door het hoofd ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-straatl 6 te Z (: de onroe-ren-de zaak/de woning), de waarde van die onroerende zaak vastgesteld.

De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

2.3 De door het hoofd aan de onroerende zaak toegekende waarde bedroeg / 486.000,--. In het kader van de bezwaarprocedure is de waarde gesteld op / 478.000,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1995.

3.2 Belanghebbende stelt dat in de bij de woning behorende garage alsmede in het stookhok asbesthoudende beplating is verwerkt. Hij bepleit om die reden een waardevermin-dering van 20%. Belanghebbende wijst daartoe op het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 augustus 1996, BNB 1996/335.

3.3 Het hoofd is van mening dat de waarde, na de aanpassing in de bezwaarfase, op een juist bedrag is vastgesteld. Met de aanwe-zigheid van asbest in de onroerende zaak is zijns inziens in voldoende mate rekening gehouden.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de stand-punten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd. Behoudens het door belanghebbende gestelde omtrent de aanwezigheid van asbest in het materiaal onder de kozijnen van de ramen -zie rechtsoverweging 4.2- heb-ben partijen geen nadere gronden aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18 eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, hierna de Wet, wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 janua-ri 1995 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigen-dom in gebruik zou kunnen nemen.

4.2 Partijen houdt verdeeld het effect op de waarde van de in de woning aanwezige asbesthoudende beplating.

Het hoofd heeft de kosten van de verwijdering van deze beplating becijferd op fl. 3.966,-. In de bezwaarprocedure is de waarde verminderd met een bedrag van fl. 8.000,- en het hoofd is van mening dat met deze vermindering het waardedrukkend effect in voldoende mate tot uitdrukking is gebracht.

Het hof is evenwel van oordeel dat belanghebbende terecht aanvoert dat uit de formulering van de uitspraak op het bezwaar niet kan worden opgemaakt of de aanwezigheid van asbestbeplating de aanleiding is geweest tot de lagere vaststelling van de waarde. Immers onder het kopje "Beoordeling bezwaar" overweegt het hoofd dat bij de waardering voldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van asbesthoudende materialen.

Daarnaast voert belanghebbende terecht aan dat de kos-ten van verwijdering van de beplating slechts een deel zijn van de totaal in dit verband te maken kosten. Het hoofd heeft ter zake, gelet op de in het vertoogschrift gemaakte opstelling en de toelichting hierop ter zitting, de kosten welke met het herstel gemoeid zijn nadat de onderhavige beplating is verwijderd, geheel buiten beschouwing gelaten. Ter zitting is door belanghebbende niet, althans onvoldoende, weersproken de aanwezigheid van asbest in het onder de kozijnen van de woning aanwezige materiaal gesteld.

B, voornoemd, heeft hierop ter zitting gerea-geerd door te stellen dat de betreffende materie inder-daad asbest kan bevatten. Namens het hoofd is geen verzoek om aanhouding van de behandeling gedaan om dit aspect nader te onderzoeken.

Hieruit volgt dat het hoofd - op wie te dezen de be-wijslast rust - naar het oordeel van het hof, op grond van bovenstaande overwegingen, de door hem vastgestelde waarde van fl. 478.000,-- niet aannemelijk heeft gemaakt. Niet aannemelijk is geworden dat met het waardedrukkende aspect van de aanwezige asbest in voldoende mate rekening is gehouden.

Het hof stelt de met de verwijdering van de asbesthou-dende materiaal en de met het herstel gemoeide kosten in goede justitie op fl. 25.000,--. Voor een aftrek van 20% van de waarde zoals belanghebbende deze voorstaat ziet het hof, noch in de jurisprudentie, noch in de feitelijke situatie van het geval enige aanleiding.

Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de waarde-grondslag van de onroerende zaak zal bepalen op

fl. 453.000,--.

5. De conclusie.

Het beroep is in zoverre gegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. De beslissing

Het gerechtshof vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

stelt de waarde van de onroerende zaak a-straat 6 te Z vast op fl. 453.000,--, verstaat dat het hoofd belanghebbende het griffierecht vergoedt.

Gedaan op 2 november 2001 door mr Fransen, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr De Jong als grif-fier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 7 november 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.