Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD5122

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
BK 472/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1603
FutD 2001-2148
V-N 2001/64.24

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Tweede meervoudige belastingkamer

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

12 oktober 2001

Nummer : BK 472/00

belanghebbende :Maatschap X

te : Z

tegen : Belastingdienst/Ondernemingen te Groningen (nader: de inspecteur)

aangevallen beslissing :uitspraak op bezwaarschrift

belasting : omzetbelasting

tijdvak : 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995

mondelinge behandeling :op 28 september 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. Huiskes, raadsheer, en mr. Wolt, raadsheer plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de heer Gerrits als griffier

verschenen : de inspecteur, terzijde gestaan door mr. A, alsmede de gemachtigde van belanghebbende

geschilpunt : behoort rente tot de vergoeding voor de geleverde grond?

Beslissing:

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

1. Feiten:

1.1 Belanghebbende exploiteert een veehoudersbedrijf te Z. Voor de heffing van omzetbelasting is zij ondernemer en -op verzoek op grond van artikel 27, lid 6, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (nader: de Wet)- in de heffing betrokken .

1.2 Met betrekking tot een gedeelte van de in haar bedrijf geëxploiteerde grond, groot 13.71.56 hectare (nader: het perceel) heeft belanghebbende in 1993 een participatieovereenkomst gesloten met B Invest B.V. (nader: B).Op het perceel wilde de gemeente Winsum een bestemmingsplan realiseren en woningbouw bevorderen.

1.3 Volgens het bepaalde in artikel 2 van de participatieovereenkomst had de overeenkomst tot doel voor belanghebbende een aanmerkelijk hogere opbrengst te realiseren dan bij aankoop door de gemeente Winsum dan wel bij onteigening van het perceel.

1.4 Ingevolge artikel 3, onder letter a, van de overeenkomst heeft B aan belanghebbende toegezegd dat belanghebbende tenminste f.10,-- per m2 bij verkoop en levering aan derden zou ontvangen, vermeerderd met de rente a 7% per jaar vanaf 1 juli 1993. De totale koopsom door belanghebbende te ontvangen zou minimaal f.1.371.560,-- bedragen, exclusief rente en exclusief geprognostiseerde winst.

1.5 Volgens letter b van voormeld artikel 3 zou de koopsom ad f.10,-- per vierkante meter rechtstreeks aan belanghebbende worden uitgekeerd, zomede de verschuldigde rente over dat bedrag. De geprognostiseerde winst zou, berekend over de vorige fase, worden uitbetaald wanneer de volgende fase juridisch geheel zou zijn verkocht en geleverd aan derden.

1.6 Het perceel is op 4 augustus 1994 door belanghebbende aan B geleverd voor een bedrag van f.1.371.560,--. Tevens is over dit ontvangen bedrag op 4 augustus 1994 rente ontvangen ad f.80.007,-- zijnde 7 % over de periode 1 oktober 1993 tot en met 1 augustus 1994. Op 16 december 1994, 11 april 1995 en 27 april 1995 zijn door belanghebbende nog aanzienlijke bedragen ontvangen als geprognostiseerde winst.

1.7 Over de verkoopsom is omzetbelasting voldaan. Tussen partijen is thans niet in geschil dat ook de bedragen aan geprognostiseerde winst tot de vergoeding behoren waarover omzetbelasting dient te worden voldaan. De inspecteur heeft bij de bestreden naheffingsaanslag onder meer de omzetbelasting over de ontvangen rente nageheven.

2. Geschil:

Tussen partijen is thans in geschil het antwoord op de vraag of de rentevergoeding tot de belaste vergoeding voor het perceel dient te worden gerekend. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend, verwijzend naar het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter j, punt 1, van de Wet.

Het door belanghebbende impliciet opgeworpen geschilpunt betreffende de hoogte van de heffingsrente heeft de gemachtigde ter zitting ingetrokken.

3. Rechtsoverwegingen:

3.1 Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg heeft in zijn arrest van 27 oktober 1993 in de zaak C-281/91 (BNB 1994/95) beslist dat wanneer de leverancier van een goed ermee instemt dat de koper tegen vergoeding van rente de betaling van de prijs uitstelt tot het tijdstip van levering, die rente moet worden geacht deel uit te maken van de totale waarde van het goed, ook al wordt in de overeenkomst onderscheiden tussen de rente en de prijs.

3.2 Nu belanghebbende op grond van de participatieovereenkomst het perceel aan Rijsenburg heeft geleverd tegen een prijs van f.10,-- per vierkante meter, vermeerderd met rente, en die rente wordt berekend tot het tijdstip van levering, kan het bedrag aan verschuldigde rente niet worden aangemerkt als een (vrijgestelde) vergoeding voor het verlenen van krediet als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter j, onder 1e, van de Wet, doch moet die rente mede in de maatstaf van heffing voor de levering van de grond worden begrepen (zie BNB 1994/96).

3.3 Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur terecht het bedrag aan rente ad f.80.007,-- in de vergoeding voor de geleverde grond begrepen en daarover omzetbelasting nageheven. Het bedrag van de te dezer zake nageheven omzetbelasting is tussen partijen niet in geschil. De bestreden uitspraak dient derhalve in stand te blijven.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Aldus vastgesteld en uitgesproken te Leeuwarden op 12 oktober 2001.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

de griffier voorzitter

J.M.Gerrits mr. F.J.W. Drion

Afschrift per aangetekende post verzonden

op: 26 oktober 2001