Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD4994

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
BK 1053/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1683
FutD 2001-2099
V-N 2001/64.29

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 1053/97 26 oktober 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van Drs. X te Z tegen de uitspraak van het Hoofd van het douane district Groningen (hierna:de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hierna te vermelden beschikking op grond van artikel 76 van de Douaneregeling.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Gedagtekend 1 september 1997 heeft de inspecteur bij een beschikking als bedoeld in artikel 76 van de Douaneregeling afwijzend beschikt op het verzoek van belanghebbende om vrijstelling van omzetbelasting ter zake van het overbrengen van een zeiljacht van L naar Nederland.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 7 november 1997 zijn beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 18 december 1997 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) had ingezonden heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 mei 2001, gehouden te Leeuwarden, al waar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd, zomede - zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - een bijlage bij die pleitnota.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, danwel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende heeft vanaf 1993 tot zijn terugkeer naar Nederland in 1997 zijn woonplaats gehad in Iran.

In maart 1996 heeft belanghebbende een zeilcatamaran van 12,33 meter, genaamd A (hierna: het zeiljacht) uit Nederland uitgevoerd en verplaatst naar L.

Op 3 september 1997 heeft belanghebbende het zeiljacht, dat in die tussentijd uitsluitend door belanghebbende en zijn familie is gebruikt, terug verplaatst naar Nederland.

Terzake van deze invoer in Nederland heeft belanghebbende gevraagd om een vrijstelling van omzetbelasting, welke vrijstelling door de inspecteur bij de thans bestreden beschikking niet werd verleend.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op vrijstelling van omzetbelasting terzake van de invoer door hem van het zeiljacht in Nederland, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voor zover dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

L was een volstrekt voor de hand liggende plaats om een tussenstop in te lassen mede omdat dit eerste deel van het traject tevens een proefvaart van het zeiljacht zou zijn, terwijl het zijn plan was in de zomer van 1997 verder te zeilen naar de Perzische Golf.

Aangezien het in 1996 duidelijk werd, dat het voor zijn werkgever onwenselijk was geworden om in Iran een nieuw project op te zetten heeft hij uiteindelijk naar Nederland moeten terugkeren.

Voor de beoordeling van de vraag of het gebruik van het zeiljacht in de

vroegere normale woon- of verblijfplaats heeft plaatsgevonden kan niet altijd de plaats waar het gebruik heeft plaatsgevonden van doorslaggevend belang zijn.

In sommige gevallen zal een redelijke wetstoepassing gebieden dat het gebruik van het zeiljacht zal dienen te prevaleren, wanneer dit geschiedt overeenkomstig de aard en de bestemming van het zeiljacht en dit gebruik ligt in het verlengde van en ten nauwste is verbonden met de door de vrijstellingsgenietende gevoerde huishouding.

Onder de gegeven omstandigheden is het gerechtvaardigd dat voor het verlenen van de vrijstelling het gebruik geacht wordt in de vroegere normale woon- en verblijfplaats te hebben plaatsgevonden.

De omstandigheden van het geval brengen met zich, dat het gerechtvaardigd is om van het vereiste van gebruik in de vroegere normale woon- en verblijfplaats af te wijken.

Voorts beroept hij zich op het schrijven van 19 mei 2000 van het centrum voor Proces- en produktontwikkeling van de Belastingdienst waarin wordt gesteld, dat de vrijstelling ook kan worden verleend ter zake van de invoer van persoonlijke goederen van natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats niet in een land van herkomst maar in meerdere landen van herkomst buiten het douanegebied van de gemeenschap hebben gehad, waaruit hij afleidt dat de vrijstelling ook toegepast moet worden indien de goederen in die meerdere landen in bezit zijn geweest en zijn gebruikt hetgeen bij hem met betrekking tot het zeiljacht het geval is geweest.

Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en het alsnog verlenen van de verhuisboedelvrijstelling.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voor zover dezen van belang, kort samengevat - aangevoerd in het vertoogschrift en mondeling ter zitting:

Van het zeiljacht kan niet worden gezegd, dat het bezit en gebruik ervan aan de normale verblijfplaats van belanghebbende kan worden toegerekend. Aan een schrijven van 22 oktober 1997 van B Co ontleent hij zijn twijfel over de vraag of belanghebbende wel daadwerkelijk van plan is geweest om het zeiljacht in Iran in te voeren.

Van bijzondere omstandigheden, die een uitzondering op de hoofdregel zouden rechtvaardigen is geen sprake.

Een beroep op de zogenaamde zwerfregeling, zoals vervat in het schrijven van het centrum voor Proces- en produktontwikkeling gaat in het onderhavige geval niet op.

Hij concludeert tot de bevestiging van de uitspraak.

6. De overweging omtrent het geschil.

Naar het bepaalde in artikel 21, aanhef en onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt vrijstelling van de belasting verleend voor de invoer van goederen waarvoor vrijstelling van douanerechten bestaat.

Aan vorenbedoelde vrijstelling is vervolgens uitvoering gegeven in de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer, welke regeling op haar beurt - voor het onderwerpelijk geval - een uitwerking is van de E.E.G. - Verordening 918/83 van 28 maart 1983 (hierna: de Verordening).

Vaststaat dat belanghebbende vanaf 1993 woonde in Iran en in 1997 zijn woonplaats heeft overgebracht naar Nederland.

Vaststaat voorts, dat belanghebbende in maart 1996 het zeiljacht uit Nederland heeft uitgevoerd en verplaatst naar L, alwaar het zeiljacht is gebleven totdat het op 3 september 1997 is terugverplaatst naar Nederland, terwijl het in die tussentijd uitsluitend door belanghebbende en zijn familie is gebruikt.

Onder deze omstandigheden kan naar 's hofs oordeel met betrekking tot het zeiljacht niet gezegd worden, dat dit door belanghebbende in zijn vroegere normale verblijfplaats is gebruikt in de zin van artikel 3 van de Verordening en evenmin sprake is - gelijk door belanghebbende bepleit - van een door de omstandigheden gerechtvaardigd bijzonder geval, een en ander als bedoeld in voormeld artikel 3.

Opmerking verdient daarbij, dat het hof het met de inspecteur op grond van het schrijven van B Co van 15 oktober 1997 - welk schrijven in afschrift tot de stukken van het geding behoort - onaannemelijk acht, dat het de bedoeling van belanghebbende is geweest het zeiljacht uiteindelijk naar Iran over te brengen.

Ook gaat het hof voorbij aan de stelling van belanghebbende, waarbij hij zich beroept op het schrijven van het centrum voor Proces- en productontwikkeling van de belastingdienst van 19 mei 2000 - welk schrijven in afschrift tot de stukken van het geding behoort - waarin wordt gesteld dat de vrijstelling ook kan worden verleend terzake van de invoer van persoonlijke goederen van natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats niet in één land van herkomst maar in meerdere landen van herkomst buiten het douanegebied van de gemeenschap hebben gehad.

De situatie waarop dit schrijven het oog heeft, betreft kennelijk het geval waarin een betrokkene volgtijdelijk zijn normale verblijfplaats in meer landen buiten het douanegebied van de gemeenschap heeft gehad en niet op een geval - gelijk ten deze, waarin de betrokkene zijn desbetreffende goederen gelijktijdig in meer landen buiten het douanegebied van de gemeenschap heeft gehad en derhalve een of meer van die goederen als dan niet worden gebruikt in de normale verblijfplaats van de betrokkene in de zin van artikel 3 van de Verordening.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7.De beslissing:

Het hof bevestigt de uitspraak van inspecteur.

Gedaan op 26 oktober 2001 door prof. mr. Aardema, vice-president, mr. Drion en mr. Fransen raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2001 te Leeuwarden door mr. Drion.

Op 31 oktober 2001 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.