Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD4801

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
0100032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 17 oktober 2001

Rolnummer 0100032

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

eerste kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake:

A,

wonende te Z,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: A,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

de besloten vennootschap Topgroep Stadskanaal B.V.,

gevestigd te Stadskanaal, kantoorhoudende te Winschoten,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Topgroep,

procureur: mr R. Smit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 21 december 2000 door de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 4 januari 2001 is door A hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Topgroep tegen de zitting van 7 februari 2001.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"dat het aan het Gerechtshof behage te vernietigen het vonnis, op 21 december 2000 door de President van de Arrondissementsrechtbank te Groningen tussen partijen gewezen, en, opnieuw rechtdoende, de geïntimeerde alsnog bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het afgeven aan A van een sleutel, die past op het slot van de deur van het bedrijfspand aan de Kerkstraat 50a te Veendam, binnen twee dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest, op verbeurte van een dwangsom van ¦ 500,-- voor iedere dag dat geïntimeerde na betekening van het in deze te wijzen arrest nalaat dat te doen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het het Gerechtshof behage het vonnis van de President van de Rechtbank te Groningen van 21 december 2000 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen tot betaling aan appellant van de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Topgroep verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het Uw Hof behage het kort geding vonnis van de President der Groninger rechtbank van 21 december 2000 te bekrachtigen, wederom met veroordeling van appellant in de kosten van thans het geding in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

A heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

. Nu A bij memorie van grieven zijn vordering heeft verminderd, zal het hof rechtdoen op de verminderde eis zoals die bij memorie van grieven is gedaan. Daarbij gaat het hof er vanuit dat A de bij dagvaarding in hoger beroep gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad heeft willen handhaven.

. Tegen de vaststaande feiten als weergegeven onder rechtsoverweging 1 (1.1 t/m 1.4) van het beroepen vonnis is, behoudens het gestelde in grief I, geen grief ontwikkeld. Het hof zal derhalve ook van die feiten uitgaan, zulks met in achtneming van hetgeen ten aanzien van grief I wordt overwogen.

Met betrekking tot grief I:

. Nu A betwist dat Topgroep overeenkomstig de voorschriften van de verzekeringsmaatschappij tot wijziging van de sloten van het door hem van A gehuurde pand is overgegaan, zal het hof dit bij de verdere beoordeling niet als vaststaand aannemen.

Met betrekking tot de overige grieven:

. Het opkomen tegen een kostenveroordeling in eerste aanleg in een kort geding procedure vormt voldoende belang om in hoger beroep te kunnen worden ontvangen. Nu voor een

beoordeling terzake zal moeten worden bezien of de president op goede gronden tot afwijzing van de gevraagde voorziening is gekomen en de overige grieven tegen die beslissing en alle daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn gericht, zal het hof die grieven gezamenlijk behandelen.

. Uit het feit dat Topgroep de sloten van het door haar van A gehuurde pand heeft laten veranderen kort nadat zij het pand had betrokken, kan worden afgeleid dat A ten tijde van het ingaan van de huurovereenkomst wel vrijelijk toegang had tot het betrokken pand en de zich daarin bevindende, door hem voor opslag gebruikte, bovenverdieping. In dat licht bezien moet het er voorshands voor worden gehouden dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst van de bestaande situatie zijn uitgegaan, hetgeen kan verklaren waarom in de huurovereenkomst alleen is bepaald "dat de bovenste niet meeverhuurde verdieping ter beschikking en toegankelijk blijft voor derden".

. Het hof voegt aan het vorenoverwogene toe dat niet goed valt te begrijpen waarom "derden", aan wie de bovenverdieping eventueel zou worden verhuurd, wel - zonder enige in de huurovereenkomst vastgelegde beperking - toegang tot die verdieping zouden hebben en zulks niet (c.q. niet meer) zou gelden voor A, die nota bene de bovenverdieping ten tijde van het ingaan van de huurovereenkomst zelf in gebruik had.

. Waar het in casu gaat om een feitelijke belemmering in de uitoefening van een aan A toekomend recht, zonder dat is gesteld of gebleken dat A misbruik van recht zou maken, doet niet terzake of A nadeel ondervond of heeft ondervonden van de houding van Topgroep.

. Ook het door Topgroep gestelde verzekeringsbelang leidt niet tot een ander oordeel. Dat belang zou immers ook onvoldoende gewicht in de schaal hebben gelegd indien de bovenverdieping aan een derde zou zijn verhuurd. Het had op de weg van Topgroep gelegen dat probleem - zo al aanwezig - tijdig te onderkennen en daarin bij de tot standkoming van de huurovereenkomst dan wel op enig later tijdstip te voorzien.

. De grieven treffen doel.

Slotsom

Het beroepen vonnis dient te worden vernietigd.

Topgroep zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Topgroep in de kosten van het geding in beide instanties, en begroot die aan de zijde van A in eerste aanleg op fl. 503,64 aan verschotten en fl. 1.550,-- aan salaris voor de procureur, en in hoger beroep op

fl. 582,98 aan verschotten en fl. 1.700,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Mollema, Eradus en Meijeringh en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2001.

-getekend- mr G.J. Knijp

-getekend- N. Mellink