Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AD4717

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
04-06-2002
Zaaknummer
WAHV 00/00403
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 00/00403

18 juli 2001

CJIB 26392733

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amersfoort

van 9 oktober 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 27 februari 2001 heeft het hof aan de betrokkene verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

De betrokkene heeft op 18 april 2001 nadere inlichtingen aan het hof doen toekomen. De advocaat-generaal heeft bij brief van 4 mei 2001 op de door de betrokkene verstrekte informatie gereageerd.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene geeft in zijn beroepschrift aan het gevraagde bedrag ter zekerheidstelling niet te kunnen betalen. Ter staving van die stelling heeft de betrokkene in zijn nadere toelichting op het beroepschrift en op nader verzoek van het hof bij brief van 14 april 2001 gegevens omtrent zijn financiële positie verstrekt. Ook geeft hij in zijn beroepschrift aan, dat hij zich in een brief van 30 juli 2000 ook al heeft beroepen op zijn draagkracht. Deze brief heeft hij in de bijlage bij het beroepschrift overgelegd.

3.3. Bij brief van 26 juli 2000 is de betrokkene gewezen op de verplichting vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter een zekerheidstelling te betalen ter hoogte van de op de beschikking vermelde sanctie. Bij brief van 23 augustus 2000 is hij in de gelegenheid gesteld om alsnog aan die verplichting te voldoen.

3.4. De kantonrechter heeft vastgesteld, dat door de betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld, dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.

3.5. In beginsel is de uitspraak in eerste aanleg het onderwerp van het hoger beroep. Indien de betrokkene in reactie op (een van) de hem toegezonden brieven met redenen omkleed zou hebben aangegeven, dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij zekerheid zou stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, had de kantonrechter, tenzij hij het aangevoerde reeds aanstonds onaannemelijk zou hebben geacht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Op dit punt heeft de betrokkene gesteld, dat hij op 30 juli 2000 de officier van justitie op zijn financiële situatie heeft gewezen en om kwijtschelding van het bedrag van de zekerheidstelling heeft verzocht. Een afschrift van die brief is bij het beroepschrift overgelegd. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene de brief van 30 juli 2000 heeft verzonden en dat deze ten onrechte niet aan het dossier is toegevoegd. Daarom is de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële situatie.

3.6. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een zodanige belemmering geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van f 150,- is verlangd.

3.7. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt, dat de omvang van het gevraagde bedrag aan zekerheidstelling ad f 180,- gelet op zijn financiële omstandigheden een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.8. Uit het vorenoverwogene volgt, dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Na vernietiging en terugwijzing zal door de kantonrechter opnieuw een termijn voor het stellen van zekerheid moeten worden bepaald en daarvan moet door de griffier van het kantongerecht aan de betrokkene mededeling worden gedaan overeenkomstig het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV. Indien de betrokkene vervolgens binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totaal van het hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het kantongerecht te Amersfoort ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr Kalsbeek buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

.