Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB2303

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99/30181
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/1166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 99/30181 22 juni 2001

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep gedaan door X te Z (: belanghebbende), tegen de uitspraak van het hoofd afdeling heffingen van het Waterschap Friesland (: het hoofd), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen Friese waterschapslasten, betreffende het perceel plaatselijk bekend a-laan 68 te Z voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Bij aanslagbiljet met dagtekening 31 januari 1998 (nr. 000000000) werd belanghebbende als ingezetene in het kader van het kwaliteitsbeheer aangeslagen door het Waterschap Friesland tot een bedrag van f 18,- en door het Waterschap Marne-Middelsee tot een bedrag van f 48,-.

Bij aanslagbiljet met dagtekening 30 juni 1998 (nr. 000000000) werd belanghebbende als eigenaar (omslag gebouwd) door het Waterschap Friesland aangeslagen tot bedragen van f 42,24 (boezembeheer) en

f 30,72 (zeekering) en door het Waterschap Marne-Middelsee tot bedragen van f 85,76 (kwaliteitsbeheer) en f 168,32 (waterkering).

Genoemde aanslagen hebben allen betrekking op het perceel plaatselijk bekend a-laan 68 te Z.

1.2. Op de tijdig tegen de aanslagen ingediende bezwaarschriften heeft het hoofd bij uitspraak van 5 november 1999 de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Het namens belanghebbende tegen deze uitspraak ingediende beroepschrift (met bijlagen) is op 7 december 1999 ter griffie van het hof ingekomen.

Het hoofd heeft op 7 maart 2000 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.4. Op de zitting van het hof van 9 april 2001, gehouden te Leeuwarden, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote. Namens het hoofd is -na het hof hiervan te hebben bericht- niemand verschenen. Ter zitting heeft belanghebbende de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.5. De inhoud van alle voormelde en hieronder te melden stukken moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter ziting staat het volgende als niet, althans onvoldoende, betwist tussen partijen vast:

2.1. Ter zake van -kort gezegd- het waterbeheer in de provincie Friesland zijn vanaf 1 januari 1997 een zestal waterschappen actief: het Waterschap Friesland heeft als werkterrein de hele provincie en de vijf kwaliteitswaterschappen -waaronder het Waterschap Marne-Middelsee- voeren een aantal taken uit ieder voor een deel van het gebied van de provincie.

Het takenpakket van het Waterschap Friesland behelst -zakelijk weergegeven- de zorg voor de waterkwaliteit in de hele provincie en de zeedefensie, het regelen van het waterpeil in de grote kanalen, meren en vaarten alsmede het detailwaterbeheer op de Friese waddeneilanden.

De kwaliteitswaterschappen regelen -kort samengevat- het waterpeil in de overige watergangen en zorgen voor de instandhouding van de polderdijken.

2.2. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar als ingezetene van zowel het Waterschap Friesland als het Waterschap Marne-Middelsee voormelde aanslagen ingezetenenheffing van de onderscheiden waterschappen opgelegd gekregen. Daarnaast heeft hij van beide waterschappen als eigenaar per 1 januari 1998 van de onroerende zaak plaatselijk bekend a-laan 68 te Z voormelde aanslagen voor omslagen gebouwd opgelegd gekregen.

2.3. De uitvoering van aangelegenheden met betrekking tot de waterschapslasten van alle friese waterschappen is ondergebracht bij het Waterschap Friesland.

2.4. Na bezwaar van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak de onderscheiden aanslagen onverkort gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslagen tot een juist bedrag zijn opgelegd.

3.2. Belanghebbende is -kort gezegd- de mening toegedaan dat met de belangen van de categorie ongebouwd door de onderscheiden waterschappen in de betreffende verordeningen onvoldoende mate rekening is gehouden en dat aan de categorieen gebouwd en ingezetenen een te groot belang is toegekend, alsmede dat de omslag van de kosten over het Waterschap Friesland enerzijds en het Waterschap Marne-Middelsee anderzijds niet in overeenstemming is met het door de onderscheiden waterschappen uit te voeren takenpakket en de daaraan verbonden en te dragen kosten. Daarnaast voert hij aan dat met zijn pand vergelijkbare panden in het centrum van Z wat het onderdeel waterkering van het Waterschap Marne-Middelsee betreft geheel zijn vrijgesteld en voor wat het overige kwaliteitsbeheer betreft voor nagenoeg de helft van de omslagen van dat waterschap zijn vrijgesteld, terwijl hij het volle pond dient te betalen.

Tenslotte voert hij aan dat het hoofd in zijn uitspraak niet ingaat op zijn argumenten in het bezwaarschrift.

Het hoofd meent -kort weergegeven- dat de aanslagen overeenkomstig de geldende regelgeving zijn vastgesteld.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Belanghebbende heeft ter zitting beaamd dat de onderhavige aanslagen overeenkomstig de geldende -goedgekeurde en bekendgemaakte- verordeningen van respectievelijk het Waterschap Friesland en het Waterschap Marne-Middelsee zijn vastgesteld.

Nu het hof niet is gebleken dat daarmee wordt uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting zal het hof partijen hierin volgen.

Daarbij verdient opmerking dat naar het oordeel van het hof het door de onderscheiden waterschappen gehanteerde systeem van vaststelling van de aanslagen niet zodanig onduidelijk is dat zulks moet leiden tot nietigheid van (een of meer van) de onderhavige aanslagen

4.2. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat voor de belastingrechter slechts een terughoudende opstelling is weggelegd ten aanzien van de toetsing van verordeningen als de onderhavige, die op de wettelijk voorgeschreven wijze tot stand zijn gekomen, en die dienen te worden beschouwd als vrucht van wetgevende arbeid van de wetgever in materiele zin (het algemeen bestuur van het waterschap), waarbij bestuurlijke (doelmatigheids)afwegingen een rol hebben gespeeld.

Indien evenwel sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing die de formele wetgever niet op het oog kan hebben gehad danwel indien de betreffende verordening strijdig is met hogere wetgeving of bij de totstandkoming of wijziging van die verordening in strijd wordt gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan dit er toe leiden dat de belastingrechter (een deel van) de betreffende verordening onverbindend verklaart en daarmee de -op grond van die verordening opgelegde- aanslagen niet in stand kan laten.

4.3. Terecht stelt belanghebbende dat de relatie tussen "belang bij de waterschapstaken" en "betaling van de daarmee verbonden kosten" bij het bepalen door de betreffende waterschappen van de kostentoedeling en de omslagheffing in de onderscheiden verordeningen centraal dient te staan.

Uit de toelichting bij de onderscheiden verordeningen komt naar voren dat de onderhavige waterschappen deze voorwaarde -middels (onder meer) de gehanteerde kostentoedelingsonderzoeken- als leidraad hebben genomen bij het vaststellen van hun verordeningen.

Dat bij laatstbedoelde vaststelling met de belangen van de categorie ongebouwd in onvoldoende mate rekening is gehouden en aan de categorieen gebouwd en ingezetenen een te groot belang is toegekend is het hof niet aannemelijk geworden. Evenmin is het hof aannemelijk geworden dat de omslag van de kosten over het Waterschap Friesland enerzijds en het Waterschap Marne-Middelsee (en de andere kwaliteitswaterschappen) anderzijds niet in voldoende mate in overeenstemming is met het door de onderscheiden waterschappen uit te voeren takenpakket en de daaraan verbonden en te dragen kosten.

4.4. Belanghebbende stelt in zijn pleitnota dat panden in het centrum van Z -waaronder het pand a-kade 12.2- voor wat het onderdeel waterkering van het Wetterskip Marne Middelsee betreft geheel zijn vrijgesteld en voor wat het overige kwaliteitsbeheer betreft voor nagenoeg de helft van de omslagen van dat waterschap zijn vrijgesteld. Belanghebbende voert aan dat zijn daarmee vergelijkbare pand -gelegen in een buitenwijk van Z- ten onrechte voor het volle pond wordt aangeslagen.

Het hof vat belanghebbendes stelling op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Belanghebbende -op wie in deze de bewijslast rust- heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbendes pand enerzijds en bedoelde panden in centrum van Z anderzijds in het kader van de onderhavige heffingen vergelijkbare panden zijn die een gelijke behandeling behoeven.

Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel dient derhalve te worden verworpen.

Indien belanghebbendes beroep tevens is gericht tegen de Omslagklassenverordening van het Waterschap Marne Middelsee, in die zin dat hij meent dat dit waterschap ten onrechte twee omslagklassen waterkeringen -een betalende en een 0-klasse- en/of drie omslagklassen waterkwaliteitsbeheer heeft ingesteld, kan het hof hem hierin niet volgen. In de "Toelichting behorende bij de Omslagklassenverordening Wetterskip Marne-Middelsee" zijn zorgvuldig de argumenten beschreven die hebben geleid tot de indeling in de bedoelde omslagklassen en de aan de onderscheiden klassen toegekende vermenigvuldigingsfactoren. Het hof is de (gedeeltelijke) onrechtmatigheid van die indeling en/of toekenning niet gebleken.

4.5. Naar het oordeel van het hof is er in casu -ook overigens- geen sprake van een onredelijke of willekeurige belastingheffing danwel handelen in strijd met hogere wetgeving of beginselen als vermeld onder 4.2., ook niet met betrekking tot de verhoging van de tarieven in onderhavig jaar ten opzichte van (onder meer) 1996.

4.6. Het gelijk ligt derhalve aan de kant van het hoofd.

4.7. Het hof acht geen termen aanwezig te komen tot een vergoeding van gemaakte proceskosten.

4.8. Het hof is met belanghebbende van mening dat het hoofd in de bestreden uitspraak niet ingaat op (alle) door belanghebbende in zijn bezwaarschrift aangevoerde argumenten. Het hof ziet daarin aanleiding het hoofd te gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht ad f 60,- aan laatstgenoemde te vergoeden

5. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond en gelast het hoofd het door belanghebbende betaalde griffierecht ad f 60,- aan hem te vergoeden.

Gedaan op 22 juni 2001 door mr F.J. Drion, voorzitter en raadsheer, mrs J. Huiskes en H.H.A. Fransen, beiden raadsheer, in tegenwoordigheid van mr J.W. Keuning, als griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Uitgesproken te openbare terechtzitting van het hof te Leeuwarden op 22 juni 2001 door mr Drion, voornoemd.

Op 27 juni 2001 afschrift aangetekend aan beide partijen gezonden.

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.