Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2001:AB2296

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
478/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/62.2.4
FutD 2001-1285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 478/00 22 juni 2001

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1997 en 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 en voor het jaar 1998 in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor de onderhavige jaren gold, (hierna te noemen: de Wet) van respectievelijk ƒ 55.549, - en ƒ 56.474, -.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 17 mei 2000 de aanslagen gehandhaafd. Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 7 juni 2000 is ingekomen en welk door belanghebbende is aangevuld door zijn schrijven, ingekomen op 10 juli 2000 en 11 juli 2000. De inspecteur heeft zijn verweerschriften (met bijlagen) op 14 september 2000 ingezonden. Belanghebbende heeft daarop op 28 maart 2001 een schrijven (met bijlagen) ingezonden. Van alle stukken werd een afschrift gezonden aan de andere partij.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat het volgende tussen partijen als onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast:

2.1 Belanghebbende doet voor 1997 en voor 1998 aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 41.664, - en

ƒ 40.949, -. In de aangiften vermeldt hij een verlies uit onderneming van ƒ 4.060, - (1997) en 4.440 (1998). Tevens claimt hij in de aangiften de zelfstandigenaftrek. De inspecteur vraagt in zijn brief van 2 november 1999 naar de aard, de activiteiten en de tot dusver behaalde winst van de onderneming in 1999. In zijn brief van 5 november 1999 schrijft belanghebbende onder meer dat hij de inhoud van de brief van de inspecteur niet kan plaatsen.

2.2 De inspecteur heeft in zijn brief van 11 november 1999 belanghebbende zijn standpunt duidelijk gemaakt inhoudende dat geen sprake is van winst uit onderneming, maar eventueel van neveninkomsten. In zijn brief van 6 januari 2000 herhaalt de inspecteur zijn (voorlopige) standpunt.

2.3 In zijn brief van 10 januari 2000 reageert belanghebbende op de onder punt 2.2 vermelde brieven van de inspecteur. Belanghebbende geeft aan dat hij onder de naam A een onderneming in de muziekuitgeverij drijft, welke is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De belangen van de onderneming zijn ondergebracht bij BUMA/STEMRA. Belanghebbende noemt onder meer deze organisatie subversief. Bij herhaling heeft hij zich gewend tot onder meer allerlei overheidsinstanties om onder meer deze organisatie en haar activiteiten aan de kaak te stellen.

2.4 Bij brief van 28 januari 2000 geeft de inspecteur aan dat hij op basis van de aan hem beschikbare gegevens voornemens is van de aangiften af te wijken. De aanslagen voor 1997 en 1998 zijn respectievelijk op 24 februari 2000 en op 25 februari 2000 aan belanghebbende opgelegd. De verliezen en de zelfstandigenaftrek zijn in deze aanslagen niet geaccepteerd.

2.5 Belanghebbende maakt bij brief van 25 maart 2000 bezwaar tegen de voormelde aanslagen. In deze brief geeft belanghebbende tevens aan dat hij de inspecteur voorzien heeft van de aangiften plus dossiers. In zijn brief van 14 april 2000 gericht aan het Ministerie van Financien maakt de inspecteur melding van deze lijvige dossiers, waarvan hij van mening is dat bepaalde onderdelen van deze dossiers met belastingheffing weinig van doen hebben. De inspecteur nodigt belanghebbende daarop uit voor een gesprek ter inspectie, waaraan belanghebbende geen gehoor geeft. In een telefoongesprek op 1 mei 2000 geeft belanghebbende aan dat zolang hij geen antwoord heeft gekregen van de FIOD en BUMA/STEMRA hij niet in staat is om een balans van de onderneming betreffende de jaren 1997 en 1998 op te maken. Tevens geeft hij aan dat hij niets toe te voegen heeft aan al hetgeen hij reeds aan diverse instanties heeft toegezonden. Tegen de uitspraken op bezwaar van 17 mei 2000 stelt belanghebbende beroep in.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of er met betrekking tot de activiteiten op gebied van de muziekuitgeverij van belanghebbende sprake is van het voor zijn rekening drijven van een onderneming in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Wet. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.2 Tevens is in geschil de vraag of belanghebbende recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De beantwoording geschiedt op dezelfde wijze als onder punt 3.1.

4. Rechtsoverwegingen

4.1 Artikel 6, eerste lid, van de Wet bepaalt onder meer dat hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven winst uit onderneming geniet. Daar belanghebbende een beroep op het ondernemerschap doet, rust op hem, naar het oordeel van het hof, de last om zodanige feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat ter zake van zijn activiteiten op het gebied van de muziekuitgeverij voor zijn rekening in de onderhavige jaren een onderneming wordt gedreven.

4.2 Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een onderneming dienen de feiten aan een aantal relevante criteria te worden getoetst. Hierbij dient onder meer gedacht te worden aan:

- de aan de activiteit bestede tijd;

- de grootte van de opbrengsten;

- het lopen van ondernemersrisico;

- de regelmaat waarmee de werkzaamheden plaatsvinden;

- de hoeveelheid aangewend kapitaal;

- het aantal opdrachtgevers;

- de bekendheid naar buiten.

4.3 Het Hof kan bij toetsing van de in deze zaak vaststaande feiten aan voormelde criteria niet concluderen dat ter zake van belanghebbendes activiteiten op het gebied van de muziekuitgeverij sprake is van een onderneming. Overigens kan ook de conclusie niet getrokken worden dat sprake is zogenaamde andere inkomsten uit arbeid als bedoeld in 22, lid 1, aanhef en letter b van de Wet.

4.4 Ter zake van het eerste en het tweede geschilpunt is het gelijk derhalve aan de zijde van de inspecteur.

5. Conclusie

Het beroep van belanghebbende treft geen doel.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Gedaan op 22 juni 2001 door mr. Huiskes, raadsheer, plaatsvervangend lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.

Op 27 juni 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.